Kamertjeszonde

Titel
Kamertjeszonde

Jaar
1898

Druk
1970

Pagina's
392



zowat dekte, blij dat ze centen trok van een kamer, waarom maandenlang niemand gekomen was - in haar kleine fossiele bewegingen was een smeulende, giftige, kwaadaardige afgunst.

Wat zou ze gehoerd hebbe voor geld - as God d’r maar geschape had met een móóier smoel - wat zou ze gehoerd hebbe - in plaats van die kelder -andere bediene - aardappele vrete met speksaus - al de verdienste door het schrappe van vuile kinne a vijf cent per stuk. - As God het gewild had, was ze nog liever voor hoer gaan zitte met goed, ruim vrete en knappe klere, dan dat eeuwig geneuk in een donkere bedstee met zo’n lijk van een kérel - en geen vooruitzichte om er ooit bovenop te komme. - As ze het óver zou kunne doen!... Liever dat ’t sap ’r bijvloog as wéér een barbier, wéér dat fatsoenlijke hongerlijje... Wat kócht je voor je fatsoen ?... Wat had je an fatsoen ? Geen mieter!... Met fatsoen hoerde je je hele leven en niemand zei je d’r dankie voor. - En nou zo’n mintenée in je huis, dat een kakkie op d’r lijf had van de andere wereld en zo’n trotse stinkerd van een vent, die net het nodige met d’r sprak. - Als ze ’t maar es over kon doen... cMe man en ikke gelove an geen God, geen gebod’ - zei ze op een middag, om Georgine te troosten, die belédigd was door de kruidenier van de overzij die voortaan wél op krediet wou leveren, als de ‘heer’ eerst z’n handtekening in het boekje ...zette:-cU mot u... d’r niks van antrekke.-So’n vent die sellef niet te vrete het. As mijn Netje groot is en se vrdigt mijn... en se vraagt mijn... dan laat ik haar liever in een kast gaan dan trouwe meteen burgerman van mijn stand!... De mense sijn niet wijser... Wat heb ik an me leve ?... Sórreg en gesappel.. Dan weer in de sorrég voor ’t gaslich... Dan weer in de sorrég voor de belasting... En me man die allemaal kouwe komplimente en stront mot afwachte van vijf-cents-klante... een kelner het’t véél beter... Wat hebbe wij?... Seg u nou sellef?... U het geen sorrege... Wat kan u gebeure ?... Doedelaar mot maar es een sweer an sijn hand krijge, bij wijse van spreke, we sitte op ons gat, niewaar ?... Netje mot het sellef wete as se ouwer wordt... Ik wou dat ik nog haar jare had...’ Doedelaar, minder expansief dan zijn vrouw, kwam alleen los, vóór in de winkel, met een zoetsappige gemeenzaamheid, met een ingehouden hartstochtelijkheid die scherpe lijnen in zijn benige kop had gevreten. Slaperig schrapte hij zijn gewone klanten, sprak over het weer, vertelde vuile moppen aan de buren. Als ik me liet scheren kwam hij dikwijls los. Ik had een pré. De meneer, die met een getrouwde vrouw leefde, vond hij een zo schunnig, ganselijk te vertrouwen mens, dat hij zich niet kón in-houden, dat hij zwijnigheden aan Fritsje zei, die graag door hem onderwezen werd en verhalen deed van een paar maintenees, die hij kapte als ze uitgingen. Ook bediende hij een rendez-vouz in de Govert Flinckstraat.

250

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.