Kamertjeszonde

Titel
Kamertjeszonde

Jaar
1898

Druk
1970

Pagina's
392



was gevallen én ze had op het boekje zes centen voor een half flesje bier opgeschreven in plaats van vijf én ze had ééns Kaatje ’s morgens gezegd - wat Kaatje had overgebracht - dat d’r moeder d’r zellef nét zo goed kon ankleje - én kwam opzettelijk dikwijls - opzettelijk - om emmertjes water-én-én-én...

Iedere dag meende Georgine nieuwe hatelijkheden op te letten. Zij oorlog-de terug. c...Ik heb d’r lekker d’r pan vuil teruggegeve... als zij denkt dat ik het angebakke email zal schoonmake voor d’r - dan heeft ze het mis!’ -Of, cze had de brutaliteit om een tafelbeschuit en vier eieren te leen te vrage, Alf. - Een mooi bakkes, die Doedelaar, om tafelbeschuitjes te ete!... Zulleke mense vergéte altijd d’r stand. Komt het van ze te pas om tafelbeschuit te ete ?... En vier eiereL. Maar vier eiere te leen vrage... Je had er geen een van teruggezien.’ - Of, cik heb een slot gehange op de keukenkast, zeg... D’r lag een haar op het brood... Echt zo iets gémééns van dat wijf. Ik heb d’r in de spiéze. Wat een geméne streek, hè ?... Da’s nou enkel om ruzie te make tussen jou en mijn. Begrijp ie wel ? Als jij een haar in het ete vin krijg ik een standje. - Néé, het was geen haar van mijn. - Heb ik zulk haar ? Ik heb hem bewaard. - Is dat haar van mij ? Nee, niewaar ? Kijk es ? Da’s al de derde die ik vin. Éérst een op de kaas. Tóén een in de sardines en nou een op het brood. Da’s géén toeval. Ik zeg je dat het géén toeval is. Ik heb zellef de ogies van het hangslot ingedraaid. En nou zal ik op me groente passé. Dat verzeker ik je.’Gróót van daden was het vrou-wengeweld nog niet geweest. Het was een kleine, geacharneerde krijg achter glimlachjes, zacht-praten. Als juffrouw Doedelaar in de kamer kwam, deed ze onderdanig-beleefd, mat van liefheid. Maar de dwars-strakke ogen met de harde gemaakte lachkringen eronder waren in stage bescherming van haar eigendommetjes. Zo kon ze belangstellend-glimlach-end luisteren naar een beklag en dwars strak ogenknipperen van Georgine naar een kring op het blad van de tafel, antwoorden, meebeklagen, kwaadspreken en Kaatje onder het kinnetje strijken - altijd met de schadeberekening in de grijs-glanzende oogjes. Ze had een grote, voorzichtige haat, een knagende burgervrouwtjes-verdrietigheid, een lieve afgunst - tegenover die andere, mooie jonge vrouw, die béter leefde, béter kleren had, dagelijks vlees at, die haar kind liet gaan op een dure school, die uitging, haar verdrongen had uit haar huiskamer. Fatsoenlijk gehuwde barbiersvrouw, vastgepolsd aan een geelbleke barbier, aan een kelderverdieping met alléén zondags twee ons magere lappies en anders aardappele... aardappele... aardappele*.. haatte ze innig die andere, die het goed had bij een ‘heer,’ die vrijer leefde dan zij. En al zei ze het niet uit, blij met een kamerhuur van vijfentwintig gulden die de hele huishuur

249

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.