‘Nou?’
‘Zul je niet boos worden?’
‘Nee, heus niet.’
‘Eerst je woord van eer.’
‘Op mijn woord.’
‘Datje... datje... op een vrouw van jóuwstand...’
‘Bravo!... Nee, nóu weet ik weer genoeg. Kijk me nu es in m’n ogen!... Zul je dan nooit eerlijk worden, Mol ?’
‘Ben ik dan nóg niet eerlijk ?’
‘Zolang je wantrouwt, néé...’
‘Ik zal probere... Ik heb zo’n slechte school gehad... Kan ik Vondel be-gnjpe?’
‘Vondel!... Vondel?’ glimlachte ik... ‘Ik zal je wel eens een mooi, eenvoudig boek meebrenge... D’r zijn er tegenwoordig wel niet veel...’
Dat denkbeeld van zich op te werken tot de kleine hoogte van haar man, dit vrouwelijk-voelen dat zij hem dan gehéél zou hebben bracht haar tot aandoénlijk schone dingen. Op een middag bezorgde de post een rose briefje. Het handschrift herkende ik niet dadelijk.
AAN ALFRED Ik daalde heel laag Ik zonk tot de grond tot god een lieve engel mij zond O, engel van goedheid ik wijd u mijn leven gij hebt mij de rust in hart weer gegeven gij gaaft mij in bet leven een doel rein van gedachte, O zoet gevoel.
O engel voor u een heerlijk victorie mijn hart nu tot rust o zoete glorie gij hebt mij niet zoals anderen vermeden als gevallen vrouw of als worm overtreden en daar ik door u in het reine verkeer Herleef ik in deez heldere atmosfeer.
Ik zie vol ontzetting op die jaren terug en ben voor weerkeren dezer tijden beducht ik leef nu als in een warme zonneschijn gesteund door u gij van gedachte zo rein
247