lege plek boven het kastje, had een vreemd, zonderling gevoel - gevoel van onvoldaan, triestig mens met bevredigd lichaam. En in bed wéér, in het donker, terwijl haar rustige, warme ademhuifjes in mijn hals puften, keek ik in de verre, vérre donkerte, die onze twee lichamen als een lijkwade omgaf. - cHou je van me ? - Hou je van me ?5 - vroeg ze, kinderlijk, vóór ze voorgoed slapen ging. cJa. Zéker,5 zei ik, mijn armen om haar lijf-warmte. Haar ademhuifjes bliezen warmer op mijn blote borst en mijn ogen keken vol-open in het donker, alsof ik nog was achter het masker van Sinterklaas.
Zo was de éérste ruzie. Ik heb dagen gehad, dat Georgines ijverzucht mij drukte, hanteerde, dat ik diep en met meerdere smart voelde de jammer van burgermansleed in klein-warme kamers, uren zelfs dat ik haar haatte. Het zijn de kleine dingen die bij tijden het leven tot een walg maken - het koppig zijn van een vrouw - het langdurig, gemelijk kibbelen met vlaagjes van drift - het mokkend gezwijg - het thuiskomen in een niet opgeruimde kamer, als de vrouw onwillig te bed ligt - óf als het eten te dampen staat en ze niet eten wil - het zijn de kleine dingen van vijandschap -mokken - bouderen - die al de benauwenis van kleine kamerwanden, lamp, stoelen, tafel, kast, prentjes - heet naar de keel jagen, het hoofd doen branden van kleine kamertjessmart, wijl er zoveel schoons, goeds op de wereld is en al het schone, het goede van de sterkste man vastgenepen ligt aan morrelende, ophitsende kamerkleinigheden. En dit vind ik van een zulke droevige smart, van een zulke smartelijke wanhoop dat ik over mijzelf in geen uitgesponnen details wil treden - wat een nutteloos verwijt zou zijn aan de vrouw die ik liefheb én een verontschuldiging voor de eigen kleine-kamertjes-gebreken. Er is geen ontlopen aan, geen ontkomen. Kamertjesleven heeft ons vast, houdt ons dllen gestrekt op een martelbank. Verleden, herinneringen zijn bedrog. Verleden is ons tot een samenstel van feiten geworden, dingen die zijn bij gebleven door meerder vreugdelijks of smartelijks. Maar het gewéldigst, benépenst, dróévigst van datzelfde verleden, de kwelling van kleinigheden, de nooit ophoudende pijnlijke schrijning van kamertjesdingen - télkens opnieuw verdrongen, óvergolfd door andere kamertjesdingen, télkens verstorend, prikkelend, telkens verstikkend-opdringend de kamerwanden, de zotte gevangenis - dat zwaar-wegendst van het verleden vermoffelen we onder vreugdevolle of smartelijke ‘feiten5. Ook om dié reden haat ik beschrij-vingen die liegen en romantiek voor kamertjeswddrheid in de plaats stellen. Als ik thuis kom, te laat, de vis koud is geworden, huilt Georgine, die me had willen laten smullen. Er is kamertjesruzie, drenzende, mokkende, ónvermijdelijke kamertjesruzie, mét de wanden van behang er
243