‘Lisy en Trees en nou zo brutaal waar ik bij ben naar Lilly kijke... Die heeft mooiere schouders dan ik, hé!... Die is mooier gebouwd, hè!’
‘Ik zal de wijste zijn - goeienacht:.5 Driftig draai ik me om. Bah wat was dat stóm - een scène maken om een portret - en blijven doordrensen als een kind. - Bah! - Maar ik was niet hélemaal gek. - Morgen zou ze zien, dat ik geen kwajongen was. - Een heel prettig begonnen avond bederven om niks, letterlijk om niks! Maar dan zakte mijn drift weer. Was het juist geen bewijs dat ze van me hield? - Was het wel nodig geweest dat ik zo ldng naar het portret had gekeken? Nódig, nódig? Op zo’n manier kwam je absurd ónder de pantoffel. O zo! O zó. Nou mét toegeven. Gaf je niet télkens toe, als zij begon te huilen bij ruzietjes. En wat een igno-bele verwijten. Ik, nét als andere mannen. Bah! Daarmee schopte ze weer alles ondersteboven wat je in d’r opgebouwd had. Het moest uit wezen met die kinderachtigheden. Was je een man of een kind? Beneden alles, benéden alles was het om een herrie te maken over een onzinnigheid. Zo. Zó. Nou eens zien. Wat deed ze? Ademde ze niet? Nee, ze ademde niet. Zeker lag ze te denken. Als ze nou verstandig was, zou ze haar armen om me heen slaan; kan je begrijpen! Net iets voor haar! - Zou ze soms niet goed wezen? Ze was al eens flauw gevallen? - Nee - ze begon weer te huilen ónder het dek. Wat een elléndig gehoor, een vróuw die huilt! Die goeie meid! Was het niet héérlijk dat ze zo van je hield? Hoe lam, een Sinterklaasavond die met ruzie eindigde-als je vriendelijker, verstandiger geweest was, zou het niet gebeurd zijn. Omdraaien ? Haar in je armen nemen? Wat een kinderachtigheid van twee mensen, die van elkaar houden, om elkaar zó te hinderen... Haar maar afzoenen... cGeorgine... Mol!’ Geen antwoord... cToe nou kind...5 Wat een stugheid!... Goeie God wat hing het leven aaneen van vieze kleinigheden. Was er dan plaats voor groots, als zo telkenmale een prullige jammerlijkheid, die buiten je éfgenlijke leven omging, je bloed ophitste naar je hoofd en je warm-le-vendig deed staan te midden van klein, schrijnend kamertjesdoen. Was het mooi dat je in een vrouw zag en vereerde, niet afhankelijk van die zelfde, stomme, armoedige nesterijen ? Werd zo niet tégen je wil in, je sterk idealenleven duf en muf, als het vreten van een mot in vergane pelzen?
‘Kom nou, kindje... Wat is dat naar om zulke disputen te hebben... Ik geef je mijn woord dat ik an niets, an absoluut niets gedacht heb - toen ik stond te kijken... Hoe kun je zo dom zijn ?5
‘Dat vervloekte portret!’ stoof ze op, ‘maar je zult het niet méér doen, hoor!5
Ze sprong het bed uit. Haar blote voeten smakten over het zeil.
241