>a.’
‘Is de deur op slot.’
%*
cPak me kouse an, Alf.5
Slaperig lei ik de kousen, gerold in de kousebanden, op de stoel met het hoopje rokken, gespte mijn broek los, kijkend naar het portret, naar het fijn strak gezichtje boven de slangkronkelingen... A mon amie Georgine. cLeg me haarspelde effen op de wastafel...’
Op het oude plekje kwamen ze te liggen. En wéér keek ik naar het portret - ik weet niet wadrom - waarom kijk je minutenlang naar een koper-glimmende schel, naar een pluisje - een niets ?... A mon amie Georgine... cJe heb je horloge niet opgehange...5 ‘Jawel,5 zei ik suffig.
‘Niet waar!... Wat schéélt jou toch?5 ‘Mij ? Niks. Ik heb slddp.5
Ik lei het eindje sigaar op de schoorsteen, kwam nóg eens voorbij het portret... het melancholieke kopje... de slangen... de kleine handjes met de armbanden... de dikke, scherpe pen-krashaaltjes... A mon amie Georgine... draaide de lamp af.
‘Schuif een beetje om, dikkerd... Pas op voor me kou we voete... Hè, wat lekker warm!... Wat héb jij... Is er iets ?... Kom je niet op me arm legge ?..• Hóór je me niet?5
Ze hield het hoofd in het kussen, weerde me korzelig af.
‘Wat is dat nou, Mol ?... Doe toch niet zo kinderachtig... Lig je te huile ?...
Gód, wat scheelt eran ?5
‘La-me los, mispunt!5
‘Wat heb jij ?5 vroeg ik verbluft.
‘Ga maar weg!... Als je maar wéét, dat het uit is tussen ons, hóór... Als je maar mét denkt dat ik krankzinnig ben, hóór!5
‘Ben je nou wakker of slaapje? Wat betekenen je fratsen ?... Is de avond niet gezellig geweest?... Waarom snikje zo, malle Mol?5 ‘Het is uit hoor!5 ‘Wat is uit?5
‘Het is uit tussen ons, huichelaar!5 Ik, kregel om haar scheldwoorden:
‘Zeg eens, ben je haast klddr!5 ‘Gemene huichelaar!5
‘Als je niet dadelijk zegt, wat je heb - ga ik het bed uit!5 dreigde ik geweldig.
‘Dat zou je wel wille hè?... Dat zou je wel wille!... Van me £f zijn, hé?...
239