Het kaarsvet begon zo sterk te druipen, dat ik het akelig benauwd kreeg. Mijn ogen brandden tegen de randen van het masker, haren van de snor kleefden op mijn lippen. Frits, die nu z’n handen vrij had, had voor de mop het éndje sigaar opgestoken en kreeg zó’n hoestbui dat hij naar de keuken moest om water te drinken.
Het was afgelopen. Met een paar schreeuwen verdween Sinterklaas naar de schoorsteen-zij, droogde zijn gezicht af. Toen weer in de kamer en de opgewonden verhalen van Ka - hoe Sinterklaas er uitzag - wattie gezegd had - enne datte mamma zo gelache had - enne dat zij een pop had ge-krege enne een doossie met stukkies verref om te verreve - enne een koek - enne datte ze niks bang was geweest - enne dat die neger een endje sigaar had gerookt - enne dattie zo gehoest had - enne dat Sintere-klaas het volgend jaar werom zou komme - as ze zoet was - enne d’r voete goed veegde enne niemeer met d’r vingers at enne dat Netje geklikt had datte ze d’r geknepe had - enne datte mamma Sinterklaas een zoen had gegeve - enne datte ze toen zo bang was geweest dattie mamma mee zou neme... Ze zat op mijn schoot, met ogen van teerblauw leven, vertellend met opgewonden vlaagjes, verward in de velerlei herinnering, soms doorslaand met ge-beweeg van de vingertjes om mijn das - dan weer dromerig soezend, star kijkend in het lampelicht, dromend over die enorme dingen. En alle triestigheid van straks nevelde weg in het goudblank geluk van die kinderogen.
Na al die kinderpret waren we dóód-op. Het was dik over tweeën. In de alkoof kleedde Georgine zich uit, praatte na over de opgewondenheid van Kaatje. ‘Wat een zonde om zoveel geld voor Netje uit te geven,’ meende ze.
‘Zachjes wat. - Ze kunnen hóren,’ waarschuwde ik.
‘Ze zijn allang naar bed.’
Hangend in de luie stoel, mijn benen op tafel, keek ik naar de fotografie van een slangenbezweerster boven het kastje. Het was een mooi jong meisje in vleestricot, slank van bouw, met naakte schouders en armen. Een dikke zwart gevlekte slang was om het keurs gewrongen - een ander kronkelde zich om de naakte schouders - de derde hield ze bij de kop van zich af. Bizar van contrast was het slanke meisjeslichaam met het fijn melancholieke kopje en de logge, vette slangen. Bij de linkervoet stond met dikke halen geschreven A mon amie Georgine.
‘Schei nou uit met roke,’ zei Georgine in de alkoof.
‘Ja-a.’
‘KomjeÜklég al.’
238