Kamertjeszonde

Titel
Kamertjeszonde

Jaar
1898

Druk
1970

Pagina's
392



sterk had gemaakt...’ - altijd door gloeiden z’n rooie ogen in de richting van de lamp, als in een zien van de dingen ~‘... die ene nacht van wakker liggen... in die lange zaal... en die rijen van bedden met de kerels erop... en de schoenen... en het koue licht... en de vlammende potkachel... en het gesnurk... en het nacht worden buiten... geen tramgerinkel meer op de brug en geen gestap... alleen het luien van de klokken... en de schrikkelijke eenzaamheid... en mijn eed toen- heb ik je verteld dat ik toen een eed gezworen heb. - Nee wel ? - Heb ik je ooit van die nacht verteld ?’ ‘Eens - een paar woorden.’

‘Ja een paar woorden, dat zal wel... ik kon niet inslape... de klok had drie geslagen... Ze lagen allemaal stil... Ik zat op in het bed, tobbend over de ruzie thuis... kijkend naar het slappe licht van de maan door de ruiten... Er zat een sonnet in mijn hoofd... dat maakte me klaar wakker, zo opgewonden wakker, dat ik er uit moest en bij het schijnen van de kachel het ding opschreef. De volgende morgen deugde er niks van, maar op dat ogenblik von ik het mooi, zat in een grote extase - een extase zo helblank, zo onmetelijk groot... Toen liep ik op me kousen langs de bedden.... hoe was het?... Ja, in een grote verwondering over die mensen... Ik begon te voelen d’r gruwelijke eenzaamheid en in eens had ik een vlammende haat tegen de stad, tegen de stad van daken en straten, tegen de stad die te slapen lag, die zo weldadig rechtschapen was om toevluchtsoorden te stichten... Met d’r zestigen sliepen ze. - Ik alleen was wakker - al de haat, al de wrok van die kerels groeide in me, dee me haast huilen van woéde. - Me fris bed thuis stond nou leeg en ik was van die vervloekte stad, die ronkte op leugens en diefstal... Als ik toen de macht had gehad om de daken en straten en mensen met één slag te pletten had ik het gedaan - heeft God voor niet minder Sodom verwoest ? - om de uitgestoten eenzaamheid van die zestig te wreken... Niewaar?... Een Toevluchtsoord is een getto in een kapitaaistad?... Niewaar? En hoe langer ik dacht, hoe meer ik keek naar de lompen op de bedden, naar de ruwe platgelopen schoenen, naar de rijen van bedden in de zwarte schemering... hoe meer ik kwam tot het extatisch geloven dat ik wat zijn zou voor die uitgestotenen... Zo lucide-opgewonden was ik, dat ik ze wou wekken en tot ze wou spreken van liefde, van bloemen in meiluchten, van groen dat aan bomen stoeit, van zonnegoud op landen en water, van vogelgejubel, van geluk bij groen en zon - dat ze niét: moesten wanhopen, dat ik bij ze zou blijven, ze zou opheffen met een blijde, onbreekbare wil, dat ze bij mij nooit zouden voelen de triestigheid van uitgeworpenheid - dat er weer eens een Christus zou komen, die alle mensen zou maken tot gelukkig hopenden, blij verenigden... Zó sterk was ik toen. Alf... O God hoe prachtig

220

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.