‘Dag mijnheer.5
‘Dag mijnheer Casper,5 hem dorst ik een hand geven.
‘Dag mijnheer.5
Even moest ik Doedelaar nog aanhoren. Hij had vijf minuten aan de bel staan luiden. Toen had de ‘schoeft5 hem open gedaan - Ien zein hemd stond ie mijneer. - Weet u wat hij zei ? - Jij kan verrekken - zei hij.-Zo5n schoeft. - Maar iek zal met die huisbaas reden. - lek laat mein boel niet onderzeiken! Mama Casper liet zich uitleggen wat dat was. Georgine wees naar het piesplekje op het tafelkleed. Mama vond het ook een schande. En papa gaf de raad een pot zwavel een paar dagen onder het plafond te laten branden, dan zou die kerel het wel benauwd krijgen.
Thuis lag Scherp op de canapé in mijn kamer. Een kussen was onder zijn hoofd. Hij werd zelfs niet wakker toen ik binnenkwam, zag er bleek uit, met zware schellen onder de ogen.
‘Scherrép!5 ‘Watte?5 ‘Ben je ziek?5
‘Hè - watte?... O ben jij het ?’
‘Scheelt er wat an ?5
‘Nee... ik had wat koorts... Nou voel ik me al helemaal anders... Hoe laat breng je51 mee?5 ‘Half vijf.5
‘Wat is het voor weer ?5 ‘Ben je nog niet uit geweest ?5
‘Uit geweest?... Ik ben maar blijven doorslapen... Zou ik nog ontbijten?5 ‘Wil ik wat voor je halen ?5 ‘Wil je?5
Ik ging even uit kocht wat broodjes en een haring. Dat zou hem wel opknappen.
Nog lag hij toen ik terugkwam, met zijn gezicht naar de canapéleuning. ‘Hè Scherrép!... Ben je alweer gaan slapen!5 Geen antwoord.
‘Scherrép!... Kom nou jongen... Het is zo laat.5 Nog geen antwoord.
‘Wel jij luie kwibus! Wacht es even.5 Ik trok hem aan een been.
‘Nee laat dat nou,5 ze hij, zonder zich om te draaien. Aan zijn stem merkte ik dat hij huilde. Wat was dat lam om iemand zo grof te storen. Eerst hakkelde ik. Toen begon ik te vloeken.
216