‘Mijnheer Doedelaar... Hallo! Kom u es effen hier!5 Doedelaar met z’n wit-benige, gelige doodshoofdenkop, witter nog door de zware inplanting van zwarte wenkbrauwen, het zwart-rullig sikje en de blauwige tint van zijn geschoren gezicht - mee aan het kijken. Ja, nou zag hij het ook. - Dat was omdat die kerel nou nog op zijn nest lag en zijn hoenden - twee hoenden hield ie d5r op na - an het piesen waren. Hij zou hem es opbelle. Die schoeft,die schweinhund!... Als hij nijdig werd, was zijn Duits accent sterker.
‘Nog lekkerder! Hondepies op je ontbijttafel!... Da’s toch niet om uit te houe... Je mot hem zegge.5
Ze hield op voor d5r vader - om hem niet alles te laten begrijpen, alsof de man niet precies wist, hoe de vork in de steel zat.
Langzaam - ik móést om halfdrie ergens zijn - begon ik mijn laarzen aan te trekken, die Frits netjes gepoetst had. Bezig met het anrijgen van de ene, kwam mama Casper binnen, zag me in mijn chamberloek, en het overhemd op de stoel, en zei rustigjes: ‘Goeiemiddag.5 Weer sprak Geor-gine gejaagd-druk over ditjes en datjes, voelde ik haar onrust nu haar ouders getuigen waren van een huiselijke ochtendscène. Mama zat aan de ontbijttafel, smeerde zich een beschuitje, informeerde naar Kaatje, naar de mensen waar Georgine nu bij woonde, naar de brieven van haar schoonzoon uit Amerika en haar oogjes, haar zwarte bij-de-pinken, alles oplettende oogjes, volgden terwijl - achter het lorgnet-gedribbel - elke beweging van de vreemde mijnheer. Papa rookte zijn sigaar, hield zijn mond.
‘U neemt me niet kwalijk,5 zei ik erg beleefd, toch nu wel met een kietelende pret om het théatre-libre-achtige van het geval, cu neemt me niet kwalijk dat ik me wat haast. Ik heb om half drie belet.5 En dan onder stilte van het gezelschap, reeg ik mijn tweede bottine, die de algemene aandacht had. Het strijken van de veters tegen de koperen pennetjes was te horen. Toen moest de chamberloek uit. In de alkoof was geen licht en op het gevoel kon ik mijn das niet strikken. Wat gaf het ook of ze me zagen bewegen als man... des... des... dés huizes? - Ze zouen wel aan meer wennen. Georgine wou afleiden, sprak van achttien vette tongscharren die ze voor zestien stuivers gekocht had - d5r moeder vond dat tien genoeg was - vroeg hoe ze havermout moest klaarmaken - maar mama, knabbelend van een tweede beschuitje, hield het wipneusje niet van me af, beloerde met haar slaperige oogjes mijn front, mijn boord, mijn nieuwe das - van Georgine - mijn manchetten, de knopen van mijn vest, mijn horloge, mijn colbert en de borstel waarmee ik me schuierde.
‘Dag mevrouw,5 zei ik, toen ik klaar was.
215