‘Wat en toen!... Kind wees toch niet zo stom!... Wat vroeg ze van ome Alfred?’
‘Van ome Alfed... niks mamma.’
‘Wat zei ze dan van een meneer... Denk nou es goed na, dan krijg je twee stukkies koek en een cent.’
‘Nou-ou of die meneer nie me pappa was.’
‘Dat weten we al.’
‘Nou-óü en toen... en toen vroeg ze of ik een jodinnetje was... Bén ik een jodinnetje mama? Néé-wél?... Ajassus, nee-wél?’
‘Anders niks ?’
‘En toen zei ze dat Kosie véél mooier onderbroeke had. Dat jokt ze hé mamma... Ik heb veel mooier onderbroeke, niewaar mamma?’
‘Enne ben ik nou een jodinnetje, mamma ?’
‘Nee... En wat zei ze verder ?’
‘Da-weet ik niet. Ben u nou boos ? U ben altijd boos op me.’
‘Nee, ik ben niet boos. Maar als ze je weer wat vrage van mamma, hoor je, moetje zegge: ik weet niks van mamma, hóór je?’
‘Ja mamma.’
‘Als opoe je nou vraagt: wat doet mamma, wat zal je dan zegge ?’
‘Ik weet niks van mamma, hé mamma?... en dan zal ik ’r zegge...’
‘Wat een onmogelijk kind toch, hè!’
‘Je bent een heerlijke snoet,’ schaterde ik.
‘Ja, jij heb precies de manier om kindere te bederve! Da’s toch ongepermitteerd dat ze achter je rug een kind uithore!’
‘Kom maar binnen Karel! Binnen!’ riep ik, daar er geklopt werd. Maar het was Karel niet, het was een heer met een kantoorklerkachtig gezicht. Van de haast van het ogenblik heb ik alleen onthouden dat hij vieze, zwarte, verteerde tandjes had.
‘Meneer Spier?’
‘Wat blieft u ?’ vroeg ik verbaasd.
‘Ik kom u maar zegge dat de juffrouw’ - even kijkt hij Georgine aan -‘vóór vanavond het huis uit mot.’
Een korte zonderlinge stilte-en bleek achteruit leunen van Georgine -een opkolking van dikke woede bij mij.
‘Wie ben jij godverdomme!’
‘Laten we allebei asjeblief fatsoenlijk blijve meneer en geen godverdomme spele... Mijn naam is Thomas... Mijn vrouw heeft u de kamer verhuurd zónder mijn voorkennis.’
‘Zo-zo. Zo-zo,’ zeg ik met ingehouden woede.
204