uitgebromd. - Juffrouw Thomas kwam de trap op, klopte bij Karel an. -Of die effen bij d’r man wou kommen. - Zeker Karel z’n huur nog niet betaald. - Geweldig veel aten we alle drie van het smakelijke ontbijt. -Beneden was de ruzie nóg eens begonnen.-Onduidelijk klonken de stemmen van juffrouw Thomas, mijnheer Thomas en Karel. - Als ze elkaar maar niet te lijf gaan, zei Georgine. - Wat kan óns het ook schelen...
‘Hè, wat heb ik vannacht beroerd geslapen. Je moet an d’r zeggen dat ik dat bed niet meer hebben wil.’
‘Ja, wat een deuke, hé... en wat een schrik vanmorgen om half vijf...’
‘Dat wil ik ook niet meer. Als ze wéér gewekt moeten worden, moet ze maar een bel naar d’r eigen kamer laten maken of een wekkertje kopen... Da’s geen manier om mensen die je betalen uit d’r slaap te halen.’
‘Heb u bij mama geslape, ome Alfed...’ vroeg plots Kaatje weer.
‘Wat zeur jij toch nest!’ schrikte Georgine.
‘Nou-óü.’
‘Wat nou-óü! Je mot niet zo zangerig prate en niet zo dikkels nou-óu zegge!... Wie vertel je zulleke onzin ?’
‘Nou-óü... De laarze van ome stonde voor de deur... en toen zei de juffrouw... niet an de laarze van je pa komme... en toen zei ik: nou me pa zit in Amerika en van me ome hou ik véél meer dan van me pappa... Niet-e mamma!’
‘Kind je ben krankzinnig met je geklets! Praat nou nóg es met de juffrouw, hoor je! Jij groeit op voor de galg met je lange tong! Stoute meid!’ knorde Georgine.
‘Nou-ou... nou-ou!’
‘Is het uit met je lijzige nou-ou!’
Benedeh klonk de ruzie gedempter.
‘Het ze je nog meer gevraagd ?’
‘Nee-éé.’
‘Gisteravond hè-je ook al met de juffrouw gebabbeld... Je mag niks van mamma vertelle!... Heeft ze je nog méér gevraagd?... Als je alles zegt krijg je een stukkie koek met boter...’
‘...Nou ze zei... wie is je papa... toen zei ik me pappa heet Isaac Davidson, niewaar mamma?... En toen zei ze hoe hiet je zéllef... en toen zei ik, ikke hiet Kaatje Davidson, oud vijfjaar en ik woon bij juffrouw Bok, niewaar mamma...’
‘Nou en vérder? Heeft ze niks méér gevraagd ?’
‘Nou-óü ze vroeg of die meneer... ome Alfed noemt ze die meneer, mamma, hoor u mamma wat gék hé, mamma?... Hoor u mamma!... Nou en toen...’
203