‘Jongen, jongen... een juffrouw in de Pijp, die worst, koek, kaas en eieren geeft... da’s wel wat verdacht... Zo Kaatje ben je daar eindelijk ?’
‘Dag ome... Kijk es wat een knikkers!5 ‘Van wie heb je die ?’
‘Van Kosie... Die maggik houe tot vanmiddag/
‘Wil ik es met je knikkere ?’
Voor het eerst sinds jaren, eeuwen, hou ik een kalkige knikker tegen mijn duim, mik, raak hem natuurlijk niet. Knikkeren, algebra en jaartallen uit de geschiedenis verleer je gauw.
‘Nee, ome... néé... néé-éé - zó mot u ze houe!’
‘Zo?’
‘Hé-jasses wat ben u toch stom!5 ‘Zo dan?’
‘O mamma! O mamma kijk ome es... die kan niet knikkere... en Kosie wel!’
‘Pas op Alf, schiet de ruiten niet stuk... Kommen jullie an tafel ?’
‘Jongen, jongen... wat zal er hier gauw ruzie komen:... eieren, kaas, koek worst, brood, krentebrood!’ herhaal ik. Georgine houdt niet van die malligheid. Als je met die dingen spót, zul je altijd zien, dit het gebeurt. Die juffrouw is een tréf- zo vin je d’r één op duizend - ze heeft vanmorgen het kind keurig netjes angekleed. - Jammer dat ze zich nou herinnert dat Kaatje stukkende kousen an had. - Wat het mens van d’r denken zal! - Een goddelijke kamer, hè?... Zo ruim, zo fris met die openslaande deuren. - Of Karel hou nog in z’n bed zou liggen? - Nee hij was op. - An z’n wastafel hoor je hem scharrelen. - Wat een zwabber om zo laat thuis te kommen. - Zeker weer bij Guus en Dirk en dronken Duif gezeten. -Gister had ie nog zo opgesneje dat ie ’s morgens om zeven uur al an het werk was. - O, dat was zeker de man van de juffrouw die thuis kwam om koffie te drinken. - Wat of ik vanmiddag doen ging ? - Werken natuurlijk en liever thuis. Overdag was hier te veel leven. - Of Georgine ook gelijk had, toen ze me gewaarschuwd had om niet samen te gaan wonen in mijn huis. - Hadden ze benejen geen ruzie?-Ja, ze hddden ruzie, Thomas en d’r man. - Hoe moppig om es te luisteren. - Nee, niet luisteren Georgine. -Je kon ook niks horen. Hij scheen woedend en haar hoorde je haast niet spreken. - Bom, nou sloeg die met z’n vuist op tafel. - Nou, maar ze moesten zich een beetje generen en ruzie maken als wij er niet waren. Wat drommel, betaalden we niet voor de kamer en voor wat rust? - Zeker z’n koffie niet naar z’n zin, zei Georgine: Wat heb ik een meelij met het goeie mens, dat zo gesappeld heeft de hele morgen en nou van zo’n vent de complimente mot afwachte. - Het werd weer stil. - Zeker was ie
202