Kamertjeszonde

Titel
Kamertjeszonde

Jaar
1898

Druk
1970

Pagina's
392



schilfervis, die bij de kieuwen zachtbruin kleurde kwam ze terug. Op het helderwit tafelkleed, waarvan de blokjes mat glansden, tussen de propere borden en het blinkend gerei pufte de vis brede ademblazen naar de lamp. De sauskom met bruin gebraden boter en het witporseleinen lepeltje stond er knuf naast, naast het gewreven, blinkend olie- en azijnstel. Toen de aardappelen nog kwamen was het een feestelijk-huiselijk gezicht. Karel, Georgine, het kind en ik, met in de plooien staande servetten en de wijde opdampingen uit de aardappelschotel en de dampkolkingen van de vis onder de lamp en het vergenoegde van zó bij elkaar te zitten en het kindervoetje rustend op mijn knie en de witglanzende, licht-tintelende rust over alles - dan de lichtspatjes-stuivende lepel en dezilverraketten-de vork van Georgines handen met het gouden ringetje en een nog sterker gedamp als de lepel en de vork de blanke visschilfers breken.

Wel héél gelukkig is dit. Er overkomt mij een zachte sensatie van weer opzitten na lange ziekte in ochtendzon met veel rust rondom - iets van zéér sterk voelen het wit van het tafelkleed, het gezilver van vorken en messen, het kopergespat van de lamp, het wuivend spiralen van de damp om het licht - iets dat als witte aangenaamheid zonder vormen-realiteit tot het bewustzijn slaat, een star moment van stille geluksgol-ving geeft, zó dat het tot geen verwondering zou schokken als er geluid uit de dingen kwam. cWat een gezelligheid,’ zegt Karel. Op het wit van z’n bord kwalt een kwak mosterd. De gele saus druipt erbij en geraasmakend wrijft hij de mosterd door de saus: -cWat een gezelligheid. Hou jij óók zo van vis! - Nee geef mij nou niet alles. 5t Kan toch terugkomme.5 Kaatje knoeit met de vingertjes om graten te zoeken. We eten zonder veel gepraat, vóélend het vriendelijk-rustige van zulk een tehuis. Bij het licht van de lamp zijn de hoofden gebogen, de vorken rinkelen tegen de borden en de mosterdsaus kleurt donker tegen de smijdige schilfers van vis.

- Wat is ze lekker, hé ? Bij de vis hoort anders de léver. - Nou maar zülle-ke vis, die zo los van de graat laat. - Nog een beetje saus ? Royaal boter hé ?

- O, het mens kookt zo goed. - Kaatje pas op de graten. - Karel wil je nog een stukkie van de kop. - Wat die Alf vandaag eet! - Maar over al de gesprekken heen het zilverwit, beierend waas van rust, het toevallig gekijk in de ogen van Georgine, het opletten van de gestijfselde blokjes van het tafelkleed, een gevoel van hinder dat een boterspetje in een der blokjes gedrongen is en soms het alleen horen der vorken, de rust in het huis, de rust buiten.

‘Wat een nare avond gister,5 zegt Karel.

‘Ja, dat was de laatste,5 zeg ik.

‘Hóé, de laatste?5 vraagt hij.

193

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.