Makart-boeketje verzamel ik in een hoek van de kamer, telkens met protesten van Georgine, die bang is de ‘juffrouw te beledigen’. Om half zes ben ik nog bezig, de kamer gezellig makend, met Georgine die mijn broekspijp vasthoudt en Kaatje die snappend en babbelend meeloopt met het doosje punaises. En bij elke plaat lopen we met z’n drieën achteruit, kijkend of hij recht hangt, of de wand niet te vol wordt en dan versjouw ik de glimmende linnenkast, die me dddr niet bevalt, maskeer de deur naar de alkoof met de andere plaat van Chéret.
Juffrouw Thomas komt terwijl de tafel dekken. - Wél herejee - ze zou d’r éigen kamer niet herkenne - wel watte mooie plate. - En de linnekas daar? - Net zo as mevrouw wil. - O hield meneer niet van bijbelse platen ? - Nou ze waren toch wel mooi. - Maar over smake most je niet twiste niewaar? - De een hield van dit, de ander van dit, - Na de eten zou ze ze weghale. - Die plaat was van d’r vader, die erelid was geweest van de boekbindersvereniging. - Daar had ze nog een krant van van het jaar ’64. - Wou meneer de vasies ook niet ? - Die had ze getrokke in een liefdadigheidsloterij. - Als ze mevrouw kon pleziere met ’s avonds het Nieuwsblad voor Nederland - daar was ze op geabonneerd. Terwijl dekte ze, kwam Karel binnen, die ook wel een bittertje wou. ‘Het bed zal nog wel zo best niet zijn, heb ik al an mevrouw gezegd - morrege komt er een spiksplinternieuw. - Da’s het bed van me getrouwde dochter, dat ik voor één nacht geleend heb - dan weet ik tenminste wat ik in huis haal niewaar ?’ ‘Wat ete we vanmiddag ?5 vraagt Karel, wéér erg druk.
‘Schelvis.’
‘Schelvis! Da’s een féést voor me!’
‘Schelvis met botersaus en aardappele.’
‘Hoe kook u de vis?’ vraagt Georgine en dat geeft een erg levendig-lief vriendinnengesprek over koken, dat je een stukkie soda moet doen bij erwten om ze gaar te krijge, dat je an boter, waarmee je bakt dadelijk kan zien of het margarine is en datte de groente zo duur ware. Kool was schrikkelijk duur. Ze liepe wel met zes rooie kole voor een dubbeltje, maar dat was énkel water. Daar had je niks an. Zolang d’r geen vorst was geweest over savooie kool deugde ze niet. Rijst? - Die most een paar uur langzaam pruttele... Hoe langer die stond hoe meer ze uitdijde... Juffrouw Thomas glunderig, helder met de zwarte haren vet spiegelend onder de lamp én de bloedkoralen ketting vinnig-vrolijk op het paarse schort, knikte bij alles vertrouwelijk als een kennis van lange jaren. De gulle-vriendinnentrek was geen ogenblik van haar gezicht. Ze tikte het kind op de koontjes, knipte langzaam-goedig de oogleden, wreef de borden en de glazen na met een propere doek en ging opdoen. Met de dampende witte
192