zo’n ellendig stuk mispunt.-‘As je een man was,’ zegt Duifrood-woedend, czou ik je op je smoel slaan.’ -‘En nou zal ik je es één ding zegge, Dirk,5 schreeuwt Scherp, ‘zolang jij dat varken ontvangt, kom ik niet meer bij je.’ - ‘Da’s onzin,’ beweerde Dirk:*Kan ik er wat an doen als jullie ruzie hebbe. Jullie weet nou eenmaal dat Duif zich altijd onbehoorlijk gedraagt.’
- ‘Ik heb schijt aan jou én an jou,’ plappert Duif met een dikke tong uit, ‘jullie kenne me allemaal de botten kussen! Zijn jullie godverdomme belazerd!’
- Opgeblazen van drank, paarsrood in haar woede staat ze op, onvast, slaat de deur achter zich toe, gaat naar de achterkamer. Maar nog eens komt ze terug, smijt de deur open, raspt er uit: ‘Stinkende vuile jood’ -dat is tot Scherp - ‘...lélijke rotsmous... as je je weer es met mijn zake bemoeit, krab ik je oge uit je smoel... Afgesodemieterde aap... Stomme snotneus!’ Flap, de deur weer dicht en achter het gestommel van een stoel die omvalt. Dirk zit kwaadaardig-ineengehurkt. Guus is woedend.
- ‘Is dat nou een verjaarspartij! - Waarvoor al die ruzie dient!’ ‘Heb ik je niet honderdmaal gezegd,’ gromt Dirk, ‘dat ik ’r niet over me vloer wil hebbe.’ - ‘Wel zeker, begin jij nou nog es met mijn!’ - ‘Ik zeg ’r morgen de kamer op. Het hangt me de keel uit.’ - ‘Net zoals jij wilt.’ ‘Zo jij wilt, zo jij wilt. Het is alsof je bang voor d’r ben!’- ‘Bang? Bang? Ik voor Duif bang: nee maar hóór je dat Trees! - Ik voor Duif bang! Ik geloof dat jij getikt ben.’ En dan ruziën Dirk en Guus met meegepraat van Karel en Trees en Georgine en Scherp.
‘Zeg ’r dan de huur op!’
‘Nou dat zal ik ook doen!’
‘Asje maar weet dat ik dan ’s avonds zo veel niet meer hier kom! Heb ik gelijk Trees ?’
‘Wel goddóme!’
‘Nou kan ik nog an me moeder zegge dat ik bij Duif ben - maar als we niet meer hier wonen en me moeder komt vragen of ik hier ben. - Nou, wat dan? Wat dan? Het ze het al niet een paar maal gedaan? Of jij nou stom doet met Duif: je het d’r nodig!’
‘Nou en ik doe ’t niet! Ik laat me vrinden niet uitschelden. Dat wijf voert hier het hoogste woord! Ze kost je elke avond een paar maatjes brandewijn.’
‘Hè-je d’r je voordeel van ?’
‘Wil ik jou es wat zegge - of je kletst of niet: jij ben bang voor Duif!’
‘Man je ben dol! Laatje uitlache!’
‘Zij wéét wat van jou. Anders zou jij je niet zo’n boel laten welgevallen!’ ‘Laat ik me wat welgevallen ? Ik ? Ik ?’
188