Kamertjeszonde

Titel
Kamertjeszonde

Jaar
1898

Druk
1970

Pagina's
392



geverfd! - En dan Trees aan het vertellen aan Scherp en Georgine aan mijn oor... en de anderen aan het opletten wat wij voor gezichten trokken... en een gelispel in m’n oor, iets héél vuns, iets heel bed-plats en een nalachen van allemaal. - Hoe ze het toch verzinnen! - Wie of nou zo’n mop het eerst vertelt! - Zeker een fijn lid! - Duif verslikt zich in brandewijn, wordt paars-blauw, met benauwd-hese ophalingen. Karel klopt haar de vette rug. - Hé, daar zou je in stikke - Uche, uché-oe-oe! - Stuk-kie droog brood slikken. - Wel nee, da’s goed voor een graat! - Hé, ik dacht dat ik stikte. - Guus had dat ook eens gehad met azijn. Met azijn was het veel erreger. - Nou maar in champagne dan, zei Trees. - Da’s nou niet iets waar je je dikwijls in kunt verslikken, zei Karel. - Weet je wat benauwd was? Als je lachen moest meteen volle mond. Nee, niezen.

- Niezen met een volle mond dat kwam nooit voor.- Zo ? en als je verkou-wen was ? - Meijer, de vader van Stientje, die was altijd verkouwen, zei Duif. - Onzin, dat bestond niet. - Nou Meijer had altijd een natte neus. Ze moesten het maar es vragen an de mense waarmee die speelde. Ze woue op het toneel nooit van hem gezoend worde - zo vies as die was. -Wat Duif toch altijd een kwaad van Meijer sprak? Hij was toch de vader van d’r kind. - Ze kon het niet hellepe dat ze zo het zuur an hem had. Had-ie haar niet met d’r kind late zitte?- Dat dee Moos weer vlam vatten. -Waarom ze toch zo godsnakend zat te liegen. Een man liet z’n kind niet in de steek, als die het wou op voeden. - Wel jessus, jessus wat een leuges.

- En als ’t zo was? Most zij dan maar an de dijk gezet worde? - Als die smerige makkero haar een weekgeld gaf - verdiende die niet genoeg? Hè? - kon die het kind krijge. - Niet zóveel maalde ze om het brutale kreng, dat nog geen woord dankie zei als zij het vrete uit d’r mond spaarde. - Och, óch, zei Scherp ineens vinnig: wat jij uit jouw mond spaart, daar zal het schaap niet vet van worde! - Duif, bol opgewonden: Wat weet jij daar goddome van! - En dan Scherp: Nou we zijn niet blind. -Duif: d’r vader is een slampamper. Ik heb d’r dan tóch grootgebracht. Wat ze hét, het ze van mijn! - Dirk dan met z’n zware stem er tussen: Nou da’s niet veel, en Scherp strak vinnig: als ik d’r vader was, gaf ik in jouw handen net-zo-min een rooie duit. Dan Duif weer krakeüg-verhit: Maar jij ben d’r vader nou niet. Jij ziet er nogal naar uit om een kind te krijgen! - ‘Wat zijn jullie vervelend vanavond,’ zegt Guus. - ‘Ik steek mijn opinie niet onder stoelen of banken,’ zegt Scherp, die beledigd is omdat Duif hem niet op een kind taxeert, ‘jij ben een hond voor Stientje.’ -‘Watfdie vuile jood toch altijd van mijn mot hebbe..!’- Scherp wordt woedend. - Als hij een jood is dan vindt ie zichzelf nog duizendmaal te goed om op haar een grote boodschap te doen - zo’n dronken loeder! -

187

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.