Kamertjeszonde

Titel
Kamertjeszonde

Jaar
1898

Druk
1970

Pagina's
392



laken te bederven. Da’s niks. Scherp heeft een nieuwe ongebruikte zakdoek. Eerst een stukkie krant. Dan de zakdoek. Zo zie je er niks van. Wat is die rosbief taai, zegt Dirk, die haast met zijn gebrilde neus op het vlees ligt - Of die niet ziet dat ie op een zeen zaagt. Wat een zeen is ? Dat woord heeft ie nooit gehoord - Heb je nooit van zeen gehoord? - Nee. Zeen is geen Hollands. - Je spreekt van pees. - Wat een strijkop! - Wie d’r nou niet van zeen gehoord heeft! - Nou, hij. - Die pees dan, die péés dan, die péés, hoor je, mottie d’r eerst uitsnijen. - Ja, morgen brengen! Daar zal hij wat van terecht brengen! - Kijk die nou es zagen op die zeen, het is om zenuwachtig bij te worden. - Je mot geen zeen zeggen. - Je mot pees zeggen. - Hahaha! Da’s net zo iets als Duif d’r makkero-makreel! Dirk is eindelijk klaar. - Geven jullie nou maar door. - De pickles zo maar uit de pot. - D’r staat een vork in. - Nou, godverdomme Duif, niet met je pote an de olijve kommen. - Wat, niet met me pote? Olijve mag je met je pote anpakke an de fijnste diners. - Ja, daar heeft Duif gelijk in. - Wel sodeju, da’s wat nieuws. Olijve met je pote anpakke! - Da’s weer zo iets bijzonders. - Nou tóch doen ze het. - D’r legt nooit een vorrekie bij. - Karel vliegt weer lawaaiend, druk gillend op. -Die verdomde Duif om hem een pit in z’n nek te stoppe. - Da’s lekker voor hem. - Straks heeft ie haar ook te pakke gehad. - Nou maar zo’n beroerde pit, die langs je rug glijdt en in je tricot gaat zitten! - Trees steekt een uitje uit de pickles op d’r vork, sart er Scherp mee, die drie-, viermaal hapt, laat het mij dan opeten, wat Georgine nijdig maakt, die niet meer met me spreken wil. cNou maalzijt,’ zegt Duif. - ‘Bon appétit. messieurs, ministres intègres,’ reciteert Trees. Dirk is al begonnen. Een hele snee rosbief wentelt hij om zijn vork, hapt het ineens op, praat dan met een mond zo vól dat er alleen wafgeluidjes te horen zijn. Bescheidenlijk, met stil bewegen der vuile handjes legt Stientje een reep vlees op een boterham, snijdt die in dobbelsteentjes, eet meteen vriendelijk-verle-gen lachen op het smalle gezichtje. Ze zit klein-gelukkig tussen de grote mensen. Guus kijkt met glinsterend-oplettende ogen naar de aardappel-schaal, die Duif in de handen heeft. Duif pikt al de bruine aardappels uit, laat de bleke liggen. Trees ziet hoe Guus kijkt, kijkt mee en zegt: cDuif, neem nóg een paar aardappeltjes.’ - ‘Houen jullie óók zo van korstjes?’ vraagt Duif ongevoelig. Nou. Met zijn mond halfvol vertelt Karel dat hij toen die klein was, altijd bij z’n moeder in de keuken stond te bedelen om de aardappelpan te mogen uitschrappen. Of z’n moeder nog leefde? Nee die was gestorven aan kanker. An kanker ? An kanker? Daar was een ome van Trees ook an gestorreve. - Zijn tong hadden ze hem openge-snejen dat het bloed d’r uit sprong tot an de zoldering toe. - Of dat nou

183

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.