gezegd. - Dan stoof Dirk weer op. - Hij wou d’r een eed op doen dat ze het gezegd had. - Had ze het niet gezegd, toen hij nog gezegd had: je mot voor een hond half geld betale. - Nou dan wist ie d’r ook niks van, zei Karel weer. - Het was gewoon vol tarief. - En Guus zei dat ze het toen niet gezegd had. - Maar hij had gezegd dat je een kanarie in een kooi. -Wel alle-jezus had ie dat gezegd? De woorde had ie niet in z’n mond gehad... Zo iets walgelijks stoms kón hij niet gezegd hebbe... Of die nou wéér begon ? - Nee of zij weer begon ? - Zij was begonne. - Daar ware alle mense getuige van. - Zij was begonne met an Trees te vrage of die niet es gereisd had met een fox op d’r schoot van Leeuwarden naar Amsterdam. Zo’n vervloekte pestkop as die Dirrek was...
‘Jessus, Jessus,’ zegt Duif, brandewijn slobberend. ‘Jessus wat benne jullie toch voor mense. Schei nou es uit met je geouwehoer.’ En dan in koor een algemeen gesus en een geroep dat ze vanavond geen ruzie mogen hebben. Guus dekt, Guus dékt. Algemene verwondering, dat je wel zien kan dat ze jarig is, dat ze niet lang meer zal leven. Guus dekt, legt een heus tafelkleed, haal tuit de veel-zaken-kast negen borden, negen vorken, negen messen, een pot Engelse pickles, een schotel met citroenvla, een bak met olijven. Enige verbazing over zoveel toebereidselen is over de mensen. Je kunt zien dat ze heeft willen uitpakken, dat ze haar best heeft gedaan. Maar een algemeen geschreeuw, een onbedaarlijk gebulk komt los, als Guus uit de keuken een grote rosbief en twee schalen met gebakken aardappelen haalt. Dirk, Karel, Moos en ik zitten in geblufte verwondering. Hoe ze hem dat gelapt heeft! Wel Jezis: dat is kranig. Da’s nou es een verrassing. Da’s beter dan warm klef brood met sardientjes. Nee maar ze leeft niet lang meer. Als ze een tafellaken legt met... vorken en... messen dan is ze driekwart dood. Dirk wordt even geleerd, spreekt van mentale ‘aberratie’. Karel waarschuwt al die getróuwde mannen en vrouwen om niet te veel te eten op de late nacht, vooral niet te veel mosterd nemen. Duif kijkt met vette, saamgepieterde drankoogjes naar het robuuste stuk vlees. ‘Hé wat sloven jullie je uit!’ zegt Guus en Dirk begint in aandachtige stilte voor te snijden. Niet zo dik, zegt Guus. Met zijn kippige ogen zaagt hij sneden van een halve vinger dik. Terwijl begint Duif te brullen en te gillen alsof ze gekeeld wordt. Karel heeft haar een stukje citroenvla in de nek gestopt. ‘Lamme beroerling! Lam kreng!’ Ze wringt haar vinger achter het vuile kraagje, probeert het smeersel dat ze opdiept in Kareis gezicht te wrijven. ‘Hé, goddome, Duif, kijk nou uit! Met dat verdomde gebliksem!’ - Duif zegt dat zij het glaasje niet omgesmeten heeft, dat Karel het gedaan heeft. Guus is nijdig. Daar is ze nou de halve avond voor thuisgebleven. Wat een aardigheid om het schone
182