‘Koken van een goeie aardappel is niet gemakkelijk. Ik kan an een aardappel zien wattie nodig heeft als ie nog rauw is.’
‘O ja?’
‘Je mot hem...5
Ineens breekt hij af, loopt plomp naast me, zegt na een poosje haast woedend ‘Wat... Wat loop jij te o-ja-en, verdommeling...5 Ik hou m5n mond. Dat begrijpt hij dan nog. Dat heeft hij mét vergeten, de ouwe manier om iemand die vervelend is, zijn mond te stoppen.
‘Wat ben jij toch nog altijd een donderhond!5 zegt hij na een poos met overtuiging.
‘Herinner je je,5 zeg ik lachend, ‘hoe we eens samen hebben lopen te o-ja-en, niks anders dan o-ja-en met die assistent van de snijkamer die ons liep te verkrengen met zijn theorietje over bewustzijn en protoplasma?5 ‘Ja zeker.5
‘Denk je nog wel es an die tijd. Dirk ?5 ‘Ja zeker.5
‘Ik zie jou nog komen oplopen, toen je flauw was gevallen in de snijkamer.5
cOfik me dat herinner! Het was een vrouw met lang blond haar.5
‘Wat was je daar ondersteboven van.5
‘Nóu... Later heb ik het nog eens gehad, weetje wel ?5
‘Bij wat was dat ook weer ?5
‘Op de kliniek, toen een kind d’r lip geopereerd werd.5
‘Was je moeders erfdeel toen maar mét losgekommen, wat?5
‘Ja, gek hé! Dan was ik nou misschien dokter geweest...5
‘... liep je niet over aardappelen te leuteren.5
‘Nou... leuteren is wat sterk.5
‘Léés je nog wel eens wat ?5
‘Daar heb ik zo verdomd weinig tijd voor.5
‘Als ik al die ouwe Nieuwe Gidsen in je kast zie staan, heb ik altijd meelij met je.5
‘Jij héb gofferdomme geen meelij met me te hebbe!5 ‘Weet je nog, die avond bij Sal... Wat heb je toen mooi uit Mei voorgedragen. En wat was dat een móóie avond.5
Plomp trapten zijn grote voeten in de plassen. Het sterk, benig lichaam was iets gebogen, de ruwe hand duwde de bril tegen de ogen. Sterker kreeg ik die zonderlinge impressie van een heel groot hoofd en een heel klein lichaam te hebben. Dirk zei niets. De halve Vijzelstraat liep hij stug gepantserd in zijn zware benigheid. Toen begon hij weer:
‘Als ik jou een raad mag geve... Maar je mot er niet nijdig om worde...
174