‘Zie je, nou loop je stil en denkt kwaad van me. Ik geloof wel dat jij het goed meent, maar de omstandigheden zie je... Wat moet ik, om nog es een voorbeeld te noemen, doen als je papa onverwacht overkomt - da’s toch zo ónmogelijk niet? - of je ma, of je zusters ? Mot ik me dan zolang verstoppe in je kelder of stel je me voor als je huishoudster ? - Of als - of als - ik wil d’r niet an denke - maar het kan toch gebeure - we zijn alle sterfelijk - of als je iets overkwam - heb ik dan recht om in jouw huis te blijve ? - Weetje dat ik het eens heb bij gewoond met een vriendin van me, die nou lang dood is - ze had tering - en die met een dokter leefde. -Toen ie later verliefd werd op een meisje uit zijn stand, heeft ie d’r met de politie uit zijn huis late zette... Wat een fielt hé ? - nou is het een van je eerste lui uit de stad. - Als mij zo iets gebeurde, sprong ik de Amstel in...5 Dat was niet onjuist, die gedachte aan doodgaan, aan het overkomen van de ouwelui...
‘Hoe moet het dan, Georgine. - Bij jou kan ik toch niet komen in wónen -wat ? - bij die zure juffrouw Bok ?5 ‘Nee. Maar ik zou kunnen verhuizen.5 ‘Ja - jij zou kunnen verhuizen.5
‘En dan bij die mense de conditie maken, dat ik jou bij me op me kamer mag ontvange.5
‘Ben je gek! Dan denke ze dat je een scharrel ben.5 ‘Nou - dan zegge we da-we getróuwd zijn.5 ‘Nee. Ik lieg niet.5
‘Of dat ik in scheiding leg... en zolang...5
‘Nee. Ik huur gewoon een kamer voor ons samen en het kind en zeg da-we niet getrouwd zijn voor de wet - voor de wet, haha!5 ‘Daar krijg je last mee. Je moet de mensen niet zo wijs maken, Alf.5 ‘Ik zal ze naar mijn pijpen laten dansen,5 zei ik dwaas-sterk.
‘Jij bekijkt dikwijls de dingen zo rooskleurig - hoe zal ik het zeggen ? - zo luchtig, met zo5n vertrouwen op de mense, die je nóóit vertrouwe kan, dat ik soms bang voor je wor.5 ‘Bang?5
‘Bang voor je drift als 5t tegenloopt.5
‘Ik vertrouw de mensen niet, kind. Ik vertrouw op mijn voelen van God. God die groter, mooier is dan de mensen hem denken, God, die niet meet met hun maat, God, die ik zie als iets breeds, wijds, vér weg van het arme, stomme gewoel. Dat maakt me onbuigbaar.5 Ze stond stil, sloeg haar armen om mijn hals. In de schaduw der bomen, bij het water, omhelsden we elkaar als twee dwaze jonge verliefden in die strak-heldere, lichtende novembernacht.
170