‘Dat is dlles van mijn kant... Nee, niet alles... toen ik een kwajongen was, twaalf, dertien jaar gelejen heb ik een tijd met een schaap an me arm gelopen, een burgernuffie, dat nou rijk getrouwd is... Ja nou heb ik je alles gezegd, niks verzwegen.5 cBen ik de enige van wie je houdt ?’
‘De allerenigste... Als ik nu terugdenk an die tijen... an 5t gescharrel bij flessies bier... an de bordelen - is het me vreemd, niet-geleefd, nooit-geleefd... Ik voel me nou als an het strand met het koel rustig slaan van de golven, met de wind die in rukken anwaait... Het verleden is me een vérre benauwing in schroeiend hete binnenkamertjes, die me nou dood zouen maken.5 ‘Hou je van me?5 ‘Hou jij van mij?5
‘Of ik van je hóu ?... Ik heb nog nooit zó van iemand gehouen.5 ‘En als je ooit van een ander méér gaat houen... zul je het dan eerlijk zeggen... nooit iets in stilte, iets onoprechts doen?5 ‘Hé-jakkes, wat een onwijze praat! Ben jij dan soms van plan me de bons te geve, als je op een ander verliefd raakt ?5
Maar dan pakte ik haar in mijn armen, bleven de monden op elkaar en als ze spreken woü zoende ik de woorden weg.
Tegen middernacht stonden we op, kleedden ons aan, gingen uit. Het was een strak-koude, heldere novembernacht. De Amstel rustte op gouden zuilen. Een enkele gele lantaarn van een verlaat jolletje twinkte in de duisternis.
‘Pas op, laat me arm los,5 zei ze plots.
‘Waarvoor ?5 vroeg ik verrast.
‘Ik geloof dat - daar - god ja - dat was een kennis van me man. - Hé! - ik heb er hartkloppingen van... Waarom laat je me ook niet gauwer los ? -Kijkt ie om?5
‘Jawel... Wat kan jou dat schelen ?5
‘Nou. Da5s ook een vraag van je... Als me schoonmoeder het hoort... Wat stóm ook om hier gearmd te lopen... Hè ...Ik ben er wee van geworde.5 ‘Wordt het nu geen tijd, kind, om een end te maken an die angsten? Denkjedatikjearm wil loslaten als er iemand ankomt ? Nog voor je eigen man niet, niet voor de duvel en z5n moer!5 ‘Jij heb makkelijk praten... Jij bent niet getrouwd...5 ‘Zo. Dat zal ik je dan es tonen. Ik wil dat je helemaal bij me komt inwonen; jij met het kind.5
‘Nee, Alf. Dat gaat niet. Dat zou iedereen een klap in het gezicht../
‘Sla jij maar. Ik zal de klappen wel opvangen.5
168