Kamertjeszonde

Titel
Kamertjeszonde

Jaar
1898

Druk
1970

Pagina's
392



salon! Au salon!> en dan kwamen ze met d’r blote armen, blote borsten, zag je de vormen door de gazen kleren en japonnen en vroegen ze weer om wijn en zei je dat je een fles boven zou drinken en bleef je aarzelend zoeken... Het is niet na te vertellen, die triestigheid... Dan dacht je: zal ik die kleine nog es nemen - hoe hiet ze ook weer - maar dan zag je die grote met d’r zwarte ogen - daar wou je dan wel mee - maar dan dorst je weer niet voor die kleine blonde, die al naast je kwam zitten en je hand drukte tegen d’r benen - en dan dacht je weer: wat kan mij die blonde schelen: ik neem die zwarte, daar heb ik nou idee in vanavond - verveel ik je ? Wil je het liever niet horen ?’

‘Nee. En dan ?’

‘Maar dan dorst je toch niet voor die blonde... en dan ging je mee naar boven zonder zin, zonder het minste idee... En dan begon ze je daar te zoenen en ging je op de canapé zitten tot de gouvernante geweest was met de fles... en altijd hetzelfde gezanik om een doossie sigaretten en dan ging de deur op de knip... en dan dronk je een paar glazen en dan zei de kleine blonde... Geef ie nog een fles - het was een Franse ~ ik zeg het maar in het Hollands - nee, zei je dan, het zit er niet an - of zo iets. - Toe geef er nou maar een, dan mag ik langer boven blijven. - Nee, ik heb geen geld genoeg bij me... En dan ging zij naar boven om zich te wassen - ik zie het voor me alsof het nóu gebeurt - en dan trok je je goed uit en zat je je zelf an te kijken in de voetspiegel, met zulke schapige ogen en geeuwde eens en ging languit liggen op de canapé met niks geen, idee, zo moe en zó down... En dan kwam ze in een zijen hemd... en kwam bij je zitten en draaide an je snor en begon nog es te zaniken om een fles - dat ze zo’n dorst had - dat ze het anders niet twéémaal dee - en dan vertikte je het en dan ging ze op bed - alles vreugdeloos, ellendig en dan dacht je terwijl an andere vrouwen - kneep je ogen dicht - met je ogen open zou je niet gekund hebben - dacht an een buurmeisje of an een vrouw die je wel es in de Kalverstraat in een winkel zag óf an een kennis uit je kinderjaren... Gemeen hé?... Maar het was zo... Altijd dacht je an andere, zag je de andere, kwam je op die andere klaar... En als het gebeurd was, zelfs nog terwijl het gebeurde, kroop een triestigheid in je op, dat je iets ellendigs, iets onnoembaar-vuils had gedaan... en je bleef op er liggen, leeg an leven, leeg an opgewektheid, leeg an veerkracht... je lippen stilletjes afwrijvend tegen het kussen... tot zij het eerst zij: willen we ons gaan wasse... Dan ging zij de deur uit, bleef je liggen, slaperig-vermoeid, met droge ogen kijkend in de gasvlam, luisterend naar de piano-aan rin-kelingen van benee... Maar dan stond je op en begon je te wassen, góéd te wassen met zeep, bang om iets op te lopen. - God wat een verschrikke

166

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.