Kamertjeszonde

Titel
Kamertjeszonde

Jaar
1898

Druk
1970

Pagina's
392



‘Jarenlang... toen ik jonger was, minder nadacht over de dingen, was ik een bordeelloper, kind... lei ik m’n geld neer, net als andere manne... Ze doen het allemaal, of ze doen érger... of ze scharrelen met dienstmeissies... of ze nemen een mentenee...’

‘Nou, dat vin ik zo erreg niet, zolang je ongetrouwd ben. Jullie hebbe toch ook je behoefte.’

‘As er voor een vrouw schande is, is er ook schande voor ons. Over wat ik toen gestoeid heb met vrouwen en meisjes, die me wel mochten en die ik wel mocht heb ik geen spijt. Dat was jong bloed, gaf geen voordeel, geen verdriet. Maar toen ik ouwer werd, ouwer in me gezicht door het werken, het studeren en dan ’s avonds idee kreeg om wat te gaan doen en dan éérst na die kast, met voorzichtig uitkijken of er niemand in de buurt was en dan anbellen en achter het loketje de stem van de gouvernante -zo noemen ze zo’n mens - en dan binnenkommen in een gang met zoete lucht en doorlopen naar het salon en dan uitzoeken een van die vrouwen, die allemaal naar je kijken, allemaal lachen en dan na een poosje gevraag of je geen fles geeft. - O, mijn God, wat was dat een tijd! - en dan je kunstmatig lachen en gewild-luidruchtig spreken en de verzwabberde uithangen en dan eindelijk vragen of er geen andere dames zijn, omdat je er geen naar je keus kan vinden, omdat je trek weg is en je voor geen goud wat zou kunnen doen en dan opstaan en weggaan en nagekeken en wat lachjes en dan weer buiten op de donkere grachtje gevoel van misselijke eenzaamheid. Ik heb zo’n meelij met de meeste mannen, omdat ik er zelf zo een geweest ben. En als je dan buiten stond dan dacht je: wat nou? Zal ik naar Mast gaan of naar een tjingeltangel of zal ik gaan naar die of die meid waar ik wel es meer kom. Maar dan dacht je: nee in die heb ik nou geen trek, die kén ik zo, die zuigt altijd het bloed uit je vel en het ruikt zo zuur op d’r kamer - nee. Wat dan ? Dan liep je te soezen langs de nattige waterkant en te kijken naar de lantaarns in het water en dan dacht je... nou ik zal het nog es bij Weinthal probere... ik mot het nou maar doen... Wel Jezis ben ik geen jónge man ? - Zo liep je jezelf op te warmen... O, het was triestig en zo doen ze het allemaal, de stakkers... Dan kwam je bij Weinthal, stond er zo’n man in het portiek van het Nieuws en dacht je: ik zal maar weer heengaan... maar dan dacht je dadelijk weer: wel nee: wat kan me die vent verdommen, heb ik wat om die vent te geven, ben ik vrij in me doen of laten, ja of nee en dan belde je weer an... En dan kwam de gouvernante en die zei <Ach sind-Sie-es, Herr George?) - je gaf d’r altijd een andere naam op - en dan rook je wéér de zoete lucht van poeder en parfumpjes en liep je nóg es door naar de achtersalon en ging je zitten voor een tafel met gebarsten spiegelglas en riep de gouvernante <Au

165

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.