het uit te make. Me moeder was erbij... Isaac en zij an het lache!... Wat was ik toen nog onnozel, hè?... Net een gans! al had ik al zes jaar in een café-chantant gezonge... Om kort te gaan ik kreeg eerst Kaatje. - De weeën begonnen toen die ’s morgens naar de fabriek ging - thuisblijve dee die niet - wat die man nou kon verdomme weet ik nog niet - en toe-die thuis kwam ete, was de dokter net zo wat klaar. Hij wou het kind Sarah noeme, naar zijn grootmoeder. Dat heeft toen nog wat ruzie gege-ve, maar me moeder was d’r ook bij. Zeg, stel je nou es voor: <Sarah je rok zak af, moeder ik draag een sleep! > Hahaha! Hahaha! Ik kreeg me zin. En toen het kind een halfjaar oud was, had ie geen werk, liep ie te slen-tere over straat met z’n sabbatjas an. Zo bang as die was, hé! Dat schiet me nou ook te binne. - Eens had ie kwestie met de bewoner van beneje - wij woonden twee hoog. - Dat was op een zaterdag. - <As je de trap afkomt vuile jood, breek ik je je nek!) - schreeuwde die, die man natuurlijk. Denkjedattie naar beneje dorst? Tot ’s middags vijf uur bleef die boven draaie. Toen kwammen me vader en me broer en werd ie dapper. En de deur most op slot büjve zeg! Hahaha! - Nou, hij verdiende geen cent. Als jij weer es zinge ging zei die. Nou daar had ik de pest an. As je eenmaal uit het vak ben, kom je d’r liever niet in terug. Me moeder waar-schouwde hem - je kunt het er vrage. Maar de nood, zie je en daar zal ik hem geen ongelijk in geve. Ik heb toen tóch staan te zingen, zeg, met Toosje op de komst, dat ik me korset niet an kon houe en zó hartklopping kreeg... En toen maakte ik kennis met Barend... van het Salon en daar wer ik verliefd op... Ze zeggen dat Toosje op hem lijkt, maar dat liegen ze... het kind is eerlijk van hém... Ben je boos omdat ik op Barend verliefd was?’
cWel néé, kindje.’
cZie je, die wist met me om te gaan, die was zo lief - die had zulleke aardige maniere - die wist je zo in te palme - die had altijd van die aardige attenties, die was zo gesoigneerd met nét zulleke witte tanden as jij en die had sulleke mooie handen... en zulke maantjes op z’n nagels - wat kijk je nou raar ? Wil ik liever ophoue ? Nee ?... -en die bracht me ’s avonds een eind weg. Van Toosje beviel ik wéér alleen, zonder dat iemand erbij was - ik dacht dat ik stierf. - Een paar maande later, nou, toen was het erdoor - toen gingen we eerst naar een rendez-vous, maar ik geneerde me niks en kwam bij hem op z’n kamer. - Gotogot wat een tijd was dat, zeg - as me man an me lijf kwam was ik vies van hem. As die zich ’s avonds uitkleedde en in z’n hemd stond met z’n vuile voeten, dan had ik zo wel weg kenne lope... En as die dan wat doen wou... dan was het een marteling... dan hield ik m’n ogen dicht om hem niet te zien en as die klaarge-
161