één vuil boek heb, geen enkele roman en5 - hier scherpt m’n tong tot een nijdigheidje - cje hoef me ook nooit om zo’n boek te vragen. Ik heb een schrikkelijke puist an gemene lectuur.’
cIk niet. Als kind von ik het al heerlijk. Hoe pikanter, hoe echter. Hè-je van Paul de Koek gelezen Laura of het ophaal gordijntje! Nee? Of Gustaaf de losbol? Ik herinner me nog zó die scène as die ónder het bed van jonggetrouwde mensen ligt en het bed hoort krake.’
‘Ja - je heb het me al eens verteld - weet je niet meer: die avond toen we
naar Apollo gingen, dat je dol ben op zulke vuiligheid. Als ik ooit zo’n
boek in je handen zie, verscheur ik het.’
cDat zal je wel late.’
cNee dat zal ik niet. Ik wil het niet.’
‘Nou je wilt niet! Jij wilt niet. Ik heb toch ook een wil. Mag ik niet leze wat ik wil?’
‘Nee. Ik zal wel voor je uitkiezen...’
‘Onzin. Ik ben geen meissie van veertien jaar.’
‘Hou je nou op of niet! Ik zeg je dat ik elk vies boek dat ik bij je vin verscheur.’
‘Welzeker! En me gulden statiegeld van de leesbibliotheek?’
‘Dat kan me niet schelen.’
‘Dat kan jou niet schelen ? Je mot nou niet zo’n toon anslaan. Dat kan jou niet schelen! Wat een onzin! Da’s kinderpraat.’
‘Nou-én je doet het niet meer!’
‘Wat vlieg je toch op! Ik schrik ervan, zo hard als je schreeuwt. Jij bent net zo opvliegend als...’
‘Als wie?’
‘Als niemand.’
Stil liggen we naast elkaar met Johannes Viator boven op de deken. Dat ze zo verduiveld koppig is - dat ze alles beter wil weten - wat is dat hatelijk van d’r - en stom van d’r - en wat beroerd om over zo’n misselijk onderwerp ruzie te krijgen. Warm, donzig-warm drukt haar dij tegen mijn been, glad vlees tegen glad vlees met haartjes zacht-warm er tussen. - Je ben net zo opvliegend - als wie ? - als wie ? - als wie: heeft die wie ook zo gelegen met z’n been langs het glad-warme vlees in de stilte na een ruzie -als wie? - als niemand. - Dat liegt ze. - Als d’r vader? Als d’r broer? -Nee, dan zou ze het wel zeggen. - Als d’r man ? Hè jassus hoe misselijk, om van te kotsen, om aan je man te denken. - Nee niet aan d’r man. -Wie dan ? - Wie dan ? - Wat een koppig schepsel. - Nou es kijken wie het eerst z’n mond open doet. - Even anwrijven met je been. - Wat is ze toch vet. - Nou wegtrekken je been. - Ze verdomt het. - Nog es
156