te schrijven wat ze ziet.*
‘Steekt er dan kwaad in ?’ vraag ik met verwondering, bang voor geniepigheden.
‘Nee. Maar met dat mens motje zo voorzichtig zijn... Juffrouw Bok!5 ‘Joe!’
‘Ze is goed voor het kind... Je ziet wel dat de kinderen van d’r houen... Ze noemen d’r moeder... Maar as het dat niet was, as het dat niet was... Ik had moeite om d’r niet een bord naar d’r kop te smijten. Zo iets maakt me zó zenuwachtig, hé! Ik zou wel kunnen huilen!5 Juffrouw Bok dient een schotel met biefstuk op, vastgeklemd tussen twee vuile doeken. Peinzend-glimlachend, met het onsterfelijk lachje op het grutjesgezicht, let ze op dat de saus niet over de rand plast. Dan blijft ze staan met in elke hand een vuile doek, op de hoogte van een uitwippende balein en zegt: ‘Ze was zeker weer niet weg te krijgen ?’ - ‘Nee,5 zegt Georgine. - ‘Ja, ik had het wel in de spieze. Zo’n labberkakkig mens... zo’n fijne roomse jezewiet... al die roomse benne eender... dat hangt as een klit an mekaar... net allemaal loopse hondjes achter een tefie.’ - ‘Die wou nou weten watte we eten. Als je toch een beetje fatsoen in je lijf heb, ga je toch weg, as je ziet dat de mense wachten, niewaar? Nee, zij verdomt het... As ik maar iemand anders wist voor me kind.’ -‘Nou d’r benne mense genoeg,’ insinueert Bok. - ‘Ja maar, goeie is moeilijk.’ - ‘Annetje, waar blijf ie nou?’ - ‘Ja moe, ik schep op.’ Met de vuile doeken in de handen, blijft juffrouw Bok wachten, vriendelijk-begaan meepratend tot Annetje komt met een schaal aardappelen zonder deksel en Paulientje met een groot bord met fijn gehakte andijvie. ‘Motte de pannekoeke ook meteen komme?’ vraagt Annetje. - ‘Nee, wel?’ zegt juffrouw Bok. - ‘Nee, die zalle we strakkies eten.’ Eindelijk - wél eindelijk gaat de deur toe. Mijn eetlust is weg. De grutjesgeest van juffrouw Bok spookt om de tafel. Ik ben vies van alles, vies van de borden, de glazen, de vorken, het eten. De zoete bloemkoollucht, die in het huis hing bij het binnenkomen, zit dik aan alles in deze kamer. Wat een gelukloze, dompige, vale burgermansboel, wat een benauwende leefhoek. Georgine schept op - Kaatje met het knietje tegen me aan, bleek onder de hoog hangende lamp, kijkt met gulzige oogjes naar de porties vlees die mamma verdeelt. We eten zonder gepraat. Ik breek een aardappel in de gestolde vetsaus, snij het taaie vlees. De glimlachende man met de hoge punt-boorden, de mooie das en het geplakte haar gluurt vriendelijk-tevreden van de schoorsteen naar mijn bord. En ik neem mijn eerste hap in Georgi-nes huis, een stuk zoete aardappel met een stuk taai vlees, slik het met geweld, naspoelend met bier. De te hoge lamp, schel van licht op de ogen,
143