‘Dat kan wel.5
De lamp stoomt weer. Ik sta op, draai haar af. Lome stilte is in de kamer en ik ga weer zitten.
‘Hoe laat sou het sijn ?5
Ik kijk op mijn horloge, lieg kalmpjes-weg vijf kwartier.
‘Precies kwart over zeven/
‘Kwart óver zeven.’
‘Zestien minuten over zeven.5
‘Wel Jeses, wat die tijd vliegt. Het was half zes toen ik op de Dam in de tram stapte.5
‘Ja,5 zeg ik, ‘als je gezéllig zit te praten, vliegt de tijd.5 ‘Vin u niet?5
‘Ik hou dól van babbelen...5
Maar Georgine valt me in de rede. Waarom laat ze me niet aan het woord ? ‘Hoe gaat het met uw man ?5 vraagt ze.
Dat is weer een chapiter voor het lieve mens. Daar kan ze op doorgaan. Ze vertelt van haar man die aambeien heeft, van een dochter die een lintwurm kwijt geraakt is, ze vertroetelt het beursje in de kalkachtige handen, lacht zure lachjes, kijkt naar de kaas, de portretten, de kachel.
‘Hé, Sorsien, waar is je maschien ?5 Even hakkelt Georgine.
‘Me naaimachien... Me naaimachien... Die heb ik uitgeleend aan een vriendin.5
‘Daar maggie wel voorsichtig mee sijn. As de controleur van Singer
kompt, motje hem laten sien.5
‘Die komt nooit boven.5
‘Hè-je hem al afbetaald ?5
‘Nou, dat zal nog wel een dertig gulden schelen.5
‘Wat een gemak, hé, so5n maschien op afbetaling?5
‘Ja, vreselijk.5
‘Ga nou eten. Je broer kómpt niet. Seneer je niet voor mijn.5 ‘Nee, we zullen wel zolang wachten.5
Dat is toch vrij duidelijk zo5n vingerwijzing. Maar ze begrijpt niet. Ze wil nou eens wéten.
‘Mamma, ik heb zo’n honger!’
‘Dat schaap ziet wit van de honger. Ga nou éten.5 ‘Nee, we hebben de hele avond voor ons.5
Juffrouw Stengevis legt het beursje uit de handen, wriemelt in haar zak, veegt de neus, neemt het beursje weer op, glimlachert door de kamer. Ik krijg meelij met Georgine.
141