‘Dag juffrouw.5
De fletse, de grauw-witte burgerjuffrouwen glimlachen, glim-lachen, glim-lachen. Tussen twee van zulke glimlachen ligt een stinksloot van kamertjesmufheid. En een korte stilte van ingehouden woede volgt. Juffrouw Stengevis heeft de kalkhanden in de schoot gelegd om het versleten beursje, knuffelt er geduldig op los. Ze wil nou eens weten wat er omgaat. Georgine, zenuwachtig opgehitst, antwoordt, met een gejaagd bibberen van de ene knie. Ik, eerst kwaadaardig, voel me sarrend-gemoe-delijk, draai de stok in de handen, als heer die op visite is, durf niet te veel zeggen, om Georgine niet in de wielen te rijden. Ik krijg het gevoel dat Georgine bang is voor die vrouw. In toon en houding heeft ze iets vreemds-onderworpens, als juffrouw Stengevis haar lauwtjes aankijkt. Bij tijden zijn er brede gapingen, waarin het mens wel voelen moet, dat ze de deur wordt uitgekeken. Maar ze voelt het niet. Ze wil niks voelen. Ze draait rustig het beursje in haar schoot, lijmt het ene gesprek aan het andere, heeft telkens wat nieuws. Ze wil nou eens weten wat er gaande is, lacht met vies velgerimpel om de neus, kijkt alles en niemand aan. ‘Hè-je hier helemaal van de bovenburen geen last ?5 vraagt ze na een pauze.
‘Nee, niks.5
‘Bij mij thuis valt de kalk zo van het plafon. Elk ogenblik kan je vegen.
O, je hét hier geen plafon ?5
‘Nee.5
‘Ik hou je toch niet op van je eten ? Begin maar gerust. Seneer je maar niet.5
‘Ik wacht op me broer.5
‘Wat komt ie laat, hè?5
‘Zeker opgehouen.5
‘Watje man toch sprekend lijkt! hè?5
‘Ja... het is een goed portret.5
‘Bij wie het ie het laten maken ?5
‘Bij Greiner.5
‘Bij Greiner. Is dat niet op de Nieuwendijk ?5
V
‘Ruikt het niet na kattepis.5 ‘Ik ruik niks.5
‘Nou dan sit het bij mijn in de buurt.5
‘Nou, dat kan wel verbeelding zijn.5
‘Jesis mens, ruik ie nou niet dat er kattepis in de kamer is ?5
‘Nee, ik ruik niks.5
‘Dan ben je verkouwen.5
140