Tegen vier uur zei ik dat ik niet thuis at. Wat een vrouw toch dadelijk mannen van elkaar haalt. Scherp vroeg niet eens waaróm. Er lag iets van een wel blij-zijn in zijn ogen, toen ik wegging. Dat hinderde me nog toen ik buiten liep. Was die jongen niet door en door dom, door zich te laten inpalmen door Treesje, pervers-Treesje die niet meer op te halen was uit geldmodder? Niet mee bemoeien... Bemoeien met vrouwenzaken was altijd verkeerd. Als hij verdriet had, zou hij wel terugkomen...
XI EERSTE DINER BIJ GEORGINE
Langzaam opwandelend, slenterde ik de Galerij door, bleef kijken voor de uitstalkast van Citroen. Zou ik haar een ringetje... een heel goedkoop ringetje?... Maar het geld?... Zou hij me op krediet?... Zo’n man kende je helemaal niet... Toch es vragen... Of ik Spier was, de schrijver?... Wat je al bekend werd... moppig, hè?... Ja, die schrijver was ik... Nou, dan wou hij het wel op een maand geven... Wat of die kostte?... Dertien gulden... Dertien?... Nee, geen ongeluksgetal... Wat of dat kettinkje deed?... Veertien... Nou die was goed. Met het gladde, kleine doosje in m’n hand, belde ik aan in de Albert Cuyp.
‘Wie daar?5
cIkke, juffrouw Bok.5
‘Wie?5
‘Is juffrouw Casper thuis ?5
‘Kom u maar boven. Ze leit te slapen.5
Voorzichtig sjokte ik de donkere trap op, trappend op stukken steenkool, die met een knap vergruisden. In het donkere portaal, vol van een nattig-zoete bloemkoolstank, waren de schemervormen van een paar glurende kinderen.
‘O, is ü het, meneer Spier. Het is smerig weertje vin u niet ?5 ‘Slaapt de juffrouw?5 vroeg ik.
‘Strakkies lei ze op de canapé.5 ‘Waar is het kind?5 ‘Bij mijn achter... Mot u d5r hebbe ?5 ‘Ja. Heel graag.5
‘Kaatje, Kaatje!5 riep juffrouw Bok.
‘Dag Ka. Ken je me niet meer ? Ga je mee naar mamma ?5
Bang in het donker voor de vreemde heer, lei ze een kleverig klef handje
in mijn hand. Zo kwamen we in de kamer.
‘Slaapje, Georgine?5 vroeg ik, lachend.
131