‘Ik heb lang de pest an jóu gehad, verdomde eerzame neef. Die is godbe-terme geëngageerd! Ongeluk!5 schold Moos.
‘Je bent me te min om je te antwoorden. Ik heb geen moeder die de hele dag om me huilt!5 zei Tobie wit wordend.
‘Jouw moeder is het doodtrappen niet waard!5 vloekte Moos.
‘Zeg dat nóg es!5
‘Jouw moeder ? Heb jij óóit een móéder gehad ? Als ze niet an je vader ge-sjaddend was, bij toeval, zou ze je moeder niet geweest zijn. Jij bent een kapitalistische foetus!5
Mijn blote benen kneep ik tegen mekaar om het bij dit schone beeld niet uit te schateren.
‘Meneer,5 zei Tobie bleek, ‘ménéér, ik trek me handen van je af. Ik ken je niet meer. Mijnheer Spier - het zal me altijd aangenaam zijn. Als u nog eens langs komt, houd ik me voor een bezoek aanbevolen.5 Bleek, geheel ontdaan ging hij heen.
‘Je bent wel wat ruw geweest, Scherp,5 zei ik.
‘Niks te ruw. Je kent hem niet. Da5s een gewetenloze patser, die neef van me! Eerst een meid een kind maken! Dan zich netjes engageren! En hoe netjes! D5r gaat geen week voorbij of de vuilik loopt naar een hoerenkast. Z5n laatste confidentie was dat ie me het adres vroeg van een specialist in huidziekten. Dat gaat trouwen! Dat mot ras geven! Kleine joden Tobietjes met lopende ogen en klieren! Dat wil mij op de goede weg helpen! Is me ouwe heer niet krankzinnig of rijp voor Meerenberg, dat ie me zó5n vuns als zedenmeester zendt ?5 ‘Je ouwe heer zal hem niet kennen.5
‘Niet kennen? Ze hadden hem eerst met me zuster willen sjaddenen. Toen heb ik gewaarschuwd. Van het kind spraken ze niet. Dat vonden ze helemaal niet erg. Maar in een schoonzoon met sief zagen ze niks.5 ‘En is die nou tóch geëngageerd?5
‘Jawel. Met een mooi meisje. Die is verliefd op hem. Nou vraag ik je. De wereld is enkel zwijnderij.5
‘Wat een ploert!5 zei ik, wéér over het ongehoorde denkend dat een zieke man een gezonde vrouw trouwen mag.
%hé?5
‘En is de vader van het meisje niet gewaarschuwd ?5
‘Zeker. Maar die is te stom of hij wil niet begrijpen.5
‘Wil je geloven dat je me misselijk gemaakt hebt. Ik ga mijn bad nemen/
zei ik opstaand, onlekker door de vroege herrie.
‘Haast je een beetje vóór Trees komt.5
‘Ja... Weet je wat zo triestig-grappig, zo woest-moppig is ?5 zei ik me uit
121