‘Hij en jij is wat anders. Nou kun je thuis zeggen, dat ik geen jood ben.’ ‘Goed dan. Geen jood. Hihihi! Geen jood... Ik heb geen baantje, hier, mijnheer Spier. Als ik het niet dee voor mijn oom, dan verzeker ik u, dat ik me helemaal niet met hem bemoeide. Het spijt me voor ü, dat zulke scènes... Zou ü zo beleefd willen zijn eens aan te komen bij oom ?5 ‘Nee. Dat doe ik niet,5 zei ik ruw.
‘Ziet u - oom zou zo graag...5
‘Nee. Daar dank ik voor,5 herhaalde ik beslist.
‘Als ü als bemiddelaar...5
‘Nee, mijnheer. Ik sta in mijn sympathie aan de kant van mijn vriend. Wil uw oom hier komen, dan ben ik 5s middags thuis.5 ‘U zult toch moeten toegeven - u is een ontwikkeld man - dat het geen pas geeft weg te lopen en een vreemde - u permitteert mij de uitdrukking ? - boven de ouders te stellen.5 ‘Daar blief ik me niet over uit te laten.5
‘Ik merk wel dat u inziet dat ouders rechten hebben... Het gaat toch niet aan dat onze neef op uw zak blijft teren.5 ‘Wat raakt jou dat ?5 viel Moos uit.
‘Dat kan voor een paar maanden goed gaan...5 vervolgde Tobie onverstoord - ‘maar later, nietwaar mijnheer Spier? Het leven stelt zijn eisen, nietwaar?... Verzen maken is heel goed. Ik houd er wel van, al begrijp ik niet veel van die nieuwe school... Maar je kunt toch niet van de wind leven. Vindt u niet mijnheer Spier? Heb ik daar ongelijk mee?... Is dat onredelijk gesproken ?5
‘Nou zal ik jou één ding zeggen ?5 barstte Moos los. ‘Ik heb genoeg van jouw geouwehoer! Ik heb van jóu niks te leren. Als je eerst je schooier-streek met dat wurm van een kind goed gemaakt hebt, geniepige ploert, kun je weer es bij me komme. Ben ik baas op me eigen kamer, Alf - ja of nee?5
‘Ik ben bij jou op visite,5 zei ik.
‘Dan heb jij op te donderen, verwaande kwast!5
‘Ik verzoek je fatsoenlijk te blijven. Van mij heb je nog geen onvertogen woord gehoord,5 zei Tobie sussend.
‘Ik wil van jóu niks horen, niks vertogens, niks onvertogens. Donder op! Jij bent een sjaggeraar. Ik een dichter. Dat heeft niks met elkaar gemeen. Grabbel jij in je Sjares! Verneuk de kluit voor mijn part! Jij komt toch op je pootjes terecht in het leven. Ik nooit! Toe, donder op, of ik pak je in je kraag!5
‘Scherp!5 vermaande ik.
‘Als u met handtastelijkheden dreigt...5 zei Tobias opstaand.
120