niks../
cIk weet ook niks... Dat past goed bij elkaar, hé?’
cMéén je dat nou?5
‘Denk je dat ik je voor de mal hou ?5
‘Nou ja jullie liegen altijd.5
‘Wie jullie! Wit jullie!5
‘Hè, wat stuif je op!5
‘Maak me dan niet voor leugenaar uit! Denk je dat ik ben als die anderen!5 ‘Nou dan, niét jullie... Wat ben je ónaangenaam. Ik bedoelde het zo niet. Zie je wel dat ik te dom voor je ben ?5
‘Je bent niet te dom voor me. Ik ben een gewone jongen, met niks buitengewoons aan me.5 ‘Is dat nou niet zo5n beetje...5 lachte ze.
‘Georgine!5
‘God, gód wat ben je ongeduldig. Zou jij me getrouwd hebben, toen ik nog in de Ficzong?5
‘Tóén zeker niet. Toen was ik zo5n gewone ellendeling... als dié daar.5 ‘Maar nou?5
‘Nou ? Néé. Ik trouw niet.5 ‘O.5
‘Waarom zeg je O ?5
‘Je valt me tegen, hoor. Heb jij nou ook van die foefies ?5 ‘Wat zeg je?5
‘Da’s toch goddome sterk!5 ‘Watte?5
‘Jullie hebben allemaal het zelfde smoesje... Jullie trouwt geen van allen! Als je maar eerst uitgeboemeld ben, hè?... Met óns scharrelen jullie maar, hé?5
Ik hield mijn mond. Een blinde, kwaadaardige woede schokte in me op, een woede om iets neer te slaan. Jullie... Jullie... Jullie... saamgekoppeld met het uitschot achter me, met de gehate, perverse, liederlijke bent... Jullie...! Maar in mijn woede kwam het verstand faufileren... Je kan het 5r niet kwalijk nemen... Ze heeft nóóit anders dan schooiers gekend... Ze begrijpt niks van je. Je moet 5r overtuigen... Je moet het 5r nou es góéd zéggen... dat het je niet om smeerlapperij te doen is... En dan prdatte ik weer:
‘Ik scharrel allang niet meer, Georgine... Ik bóémel niet.5 ‘Je mot me niet kwalijk nemen, Alf, maar ik ben zó5n óüwe rot.5 ‘Als je nog één woord zeg, sta ik op, zie je me nóóit meer. Heb je me verstaan? Ik geef je mijn woord, mijn woord, dat ik mét lieg, geen foefies ge
105