weerde, als-ie van iets zéker was en tegengesproken werd, vergruizelde-die de goudse pijp in z’n hand. Dat moet heel mal geweest zijn — je begrijpt, ik vertel na, ’t was vóór mijn tijd! - allermalst.
In die dagen bestond nog de gezellige huiselijke gewoonte van ’n rekje met goudse pijpen. Ook al verdwenen. Tegenwoordig mag dat niet meer, gaan we onder in bon ton en in allemaal pretentieuze maniertjes...’
‘Hans!’ — waarschuwden wij, bang voor 5n tweede tirade.
‘Pardon!’ - glimlachte Hans hoffelijk: ‘je heb gelijk me in te houen. Wat in ’n goed vat is, verzuurt niet. Ze rookten dan lange gouwenaars in die dagen. Elke vriend, elke vriend die regelmatig op bezoek kwam, had z’n eigen pijp ’n pijp waarop-ie met potlood of inkt z’n naam zette. Op studenten-kamers zie je ’t nog wel. Ofschoon ook dat en daar uitsterft. Oom brak niet alleen z’n eigen pijpen, als-ie argumenteerde, als-ie driftig werd — oom brak honderd-en-een-maal de pijpen van z’n broer en z’n vrienden. Want ’t broze goedje kon minder goed tegen oom’s twee-en-drie-maandelijkse verhuizingen.
“Jan,” zei m’n vader dan op zo’n niéuwe kamer: “Jan, ’k zie me pijp niet.”
“Je pijp leit in gruzelementen door de verhuizing,” antwoordde oom.
Dan tekende vader op ’n nieuwe pijp z’n initiaal J - Johan - en meestal zette-die ’r de een of andere spreuk op. En zo’n pijp hield ’t dan mogelijk ’n paar maanden vol. Mogelijk. Want als oom ’n gezellige driftbui had en z’n hand de tafel betogend raakte, sneeuwde ’t pijpen.
Nu peinzen jullie misschien en waarlijk, dat de twee broers ’t niét met mekaar konden vinden. Mis hoor! De uiter-lijk-driftige en de innerlijk-driftige deeën niks zonder mekaar, waren volkomen-trouwe en toegenegen kameraden, ’r Passeerde geen avond of ze hokten met de wederzijdse vrienden, dronken ’n glas bier, rookten pijpen tot de ka
180