jool-makende heren. Van 5s avonds zes tot 5s nachts vier - ongerekend de middag-ritjes als ’t druk was - liep de kameel, stappend-als-in-droom, de hals gekromd, de kop in denking vooruit, de ogen mat-glazig, de bovenlip vaagjes mummelend als ’n ouwe-oüwe juffrouw die wat gaat zeggen. Stupiede, dat je bij zoveel wisslend, aangolvend, haastig levensbeweeg de kop van een kameel onthoudt, de kop van 5n sukkelkameel die z’n tien uurtjes lang burgerjuffrouwen draagt, kringetje uit, kringetje in - bij het geweld van 5n stoomdraaiorgel - kringetje uit - kringetje in - en 5t gegil van kermismensen — kringetje uit, kringetje in. Zou, vraag ’k, een kameel waanzinnig kunnen worden? Solide waanzinnig?
In het koffiehuis was het eivol. Daar zaten de lieden te eten, te drinken — na middernacht. Hollanders eten na middernacht als ze féésten. Je zag de grocjes, de cognacjes, de biertjes, de harde eieren, de zwarte biefstukken, de broodjes met vlees en ham in de rookwalmen heen-scheem-ren. De stemmen watelden in feestpret, galmend, schreeuwrig, schor. Klonk plots als een klacht 5t kuchend gepieng van een gitaar en de schelvalse stem van 5n vrouw. 5t Waren ’r drie met ’n man. De man greep in de snaren. De vrouwen zongen tam in 5t geroes der stemmen en borden en vorken en glazen. Twee schenen óp, hoorde je niet — waren bleek en vermoeid en zongen met hoesten en schrapen. Om d’r hoofden hadden ze doeken - d’r ogen keken de walmende zaal door, de zaal die vaalde met spiegels als blauw-vette lappen. Drensde alleen de schel-valse stem van de oudste, 5t zoetlijk getril der gitaar. Schreeuwde er een uit ’t publiek: ‘Ruk uit met dat lamme gejenk!...’ Maar moe en versuft als 5t paard in de molen, als de kameel uit de tent, gingen ze voort, de gelaten verwit, de ogen ver-doft, de stemmen ver-scheurd, tot een 5r handen ophield en centen, hier en daar, werden toegesmeten.
175