Achter op de markt, bij de draaimolen, had je de paling-wagens en de schietkraampjes voor de jóngens — tweemaal schieten voor één cent; 5r stonden er wel drie, vier naast mekaar. Allemaal concurrenten die de jongetjes poogden te lokken. Op ’n plank waren de schiet-objecten geëtaleerd. Raakte je de roos, dan ging ’r ’n deurtje open, spatte een pop naar buiten of begon ’n speeldoos te tienkelen. Tweemaal schieten voor een cent en véél concurrrenten. Héél aardig hoe die lui an ’r brood kommen. ’s Nachts of ’s avonds al, sluiten ze d’r kraampjes, die mans-lengte en halve-mans-diepte hebben, gaan naar bed. Onder het aanrechtblad, waar de jongens d’r centen neertellen om te mogen schieten, slapen ze op ’n strozak op de keien. Als je tegen het zeiltje trapt, raak je ze. Daar snurken ze, zonder middageten, met de ongelukkige duiten in d’r zak. Nee, lieve lezer (titteltjes)...
Ook heb ’k zeer sterk in mijn memorie een kameel. Dat was in het hippodrome. Een hippodrome is een warme gelegenheid, met een klein arena, veel licht, veel stoom-draai-orgelgeweld, veel montere kermisgangers, veel stof, veel gegil. Het sterk potig stoomdraaiorgel met zijn bewegende houten, spelende clowntjes doorbulderde de tent. Er sjokken tien, twaalf paarden op de rauwe maat van muziek, die walsen, deunen, en marsen krijste, ’s Avonds zes uur begon ’t, zag je uit de tentspits rook stijgen, werd het vuur aangelegd voor het orgel. Half zeven snerpte de stoomfluit. 5t Duurde tot zolang ’r bezoekers waren, ’s Nachts in je hotel lei je wakker gehouden door de buldrende, sarrende muziekdeunen. Even kijken. Over half vier. Je probeerde te tukken - zag de paarden, de rondtollende, rond-sukklende paarden met de lachende, lollende mensen -de star-lichtende electrische melkballen - én de kameel. Die vergat ’k. Als het stoom-draaiorgel begon te razen, liep de kameel langs-zij de paarden, dragend z’n twee burgerjuffrouwen, z’n angstig-gillende juffrouwen, z’n
174