in zijn (excuseer, nobele lezer) in zijn bék, als een dier, dat iets grijpt, als een foxterier die er op gedresseerd is. Z’n kleur werd bléker, z’n aderen zwollen als blauwe sidderende aders, z’n ogen puilden, z’n kin beefde, z’n haren trilden...
Er was natuurlijk applaus, ofschoon, je die dingen én vrou-webenen in groter inrichtingen béter ziet, en bijna lijkt het mal zo’n stukje vermaak, zo’n onnozel brok amusement, waaraan we alle gewend zijn en dat ’n goed variëteitenreporter nauwelijks vermelden zou, als iets bijzonders te beschrijven. Ik geef het ook niet al recensie noch als staaltje van hoe je 5n nummer kunt uitspinnen. Ik wilde alleen zeggen, dat de bleke jonge kerel nóg een paar maal optrad in andere pakjes, tot-ie aan ’t slot mede-toneelspeel-de in ’n klein melodrama, als Ridder. De voorstelling was afgelopen. Tien minuten later begon een twééde voorstelling, zag ik hem opnieuw bij de grote trom, roffelend, beukend. En de hele rood-bekopte, woelende, kolkende, dringende menigte keek naar ’t spullevolk, naar dé bleke jonge ridder en de malle kunstemaker-in-het-demietje. Dit nu is nog niet positief sentimenteel. Het komt.
Js Middags in het hotel, koffie-slurpend voor het raam, zag ik in de menigte een man en een vrouw. De man rookte 5n duitse pijp en duwde ’n kinderwagen. In die kinderwagen lei natuurlijk een kindje. Toen zette ik m’n kopje koffie neer en keek zolang ’k kijken kon naar de man, de man van de stoelenpyramide, de man van de clownerie, de man van het komediespel, de man van de grote trom, de man van het ijzerdraad, de gespannen halsaders, de uitpuilende ogen, de man die de benen van de ‘moeder zijns kinds’ voor cénte te kijk zette. Dat was m’n sentimentaliteit en m’n snobisme.
Je moet dat volk ’s avonds zien — in de tent. In de volksmenigte overdag, met ’n kinderwagen horen ze niet thuis, storen ze je in je kleintje koffie. Ofschoon ’t tóch typisch is.
173