bij clowns die als razenden sprongen om mensen te lokken - soezend bij de man met de lange zwarte baard, die verhaalde van wat ’r te zien was in ’n museum-van-ijs-lijkheden - glurend door ’n kier bij ’n waarzegster -smachtend weer bij de kramen met ’r suikerwerk, 5r koeken, ’r chocola.
Het is uit.
Het is voorgoed uit.
Maar toch: ik voel ’n rancune, zoals veel kinderen zullen gevoelen, op mijn ouwere dag - niet 5n rancune om ’t geen verloren ging, niet ’n spijt over wat heen is, maar wrok over het zwijgen der ouwere mensen, als kinderen schaterlachend plezier hebben op ’n kermis — als kinderen grootdromend verlangen naar ’n kermis, als kinderen hunkerend uitzien naar ’n kermis, de kermis van genot, begeerlijkheden, vrolijkheid.
Ik geloof zeer oprecht, dat wanneer een vader of een moeder met ’n kind een kermis bezoekt en ’t kind stijft in zijn fantasie van kermisgeneugten, in z’n uitgelatenheid over de grimassenmakende clown, in z’n dolle pret als de draaimolen ’n goeie vaart heeft, leeuwen en paarden en schuiten hobbelen, in z’n opgewondenheid na de vertoning van de man die in de leeuwenkooi gaat en tijgers door hoepels laat springen, in z’n bewondering van kermisreizigerskin-deren die óók mee mogen doen, óók duikelen, óók op 5t circuspaard rijden, in zijn hele naïve vreugde bij ?t kermisgeraas, kermisgewoel, kermisfestijn - dat zulk een ouder, te goeder trouw toch onnadenkend, z’n kind bederft, z’n kind beliegt. Misschien ben ik zwaar-op-de-hand, deug ’k niet voor opvoedkundige en is het mooglijk voortreffelijk dat ’k geen directe wenken heb uit te delen.
Een kermis lijkt mij thans een bizar monster, en hideus beest met 5n zoetsappig-lachend én met ’n afzichtlijk-ziek gelaat — ’t eerste voor de pretmakers - ’t tweede voor de
167