de, als je weer 5ns ’n kermis ziet, ’n hollandse kermis en je eerbiedig aarzelt ’t schone, rijke, onvergetelijke uit je jongensjaren onder beslijkte schoenen te trappen.
Nee, hérlees nóóit ’n boek dat je in je jeugd las, nooit Cooper, nooit Aimard, nooit een der goddelijke verhalen van toén — ga 5t stuk niet hér-zien waarbij je als kind gesnikt en geschaterd hebt - breek niet 5t glas van je herinneringen - want alles wat je later, véél later, voor de twééde maal, bouwend op ’t denken, zien, voelen van je kinderjaren, wil genieten — verniel je, vermors je, verknoei je, omdat je handen te sterk en te grof zijn geworden, je hoofd te wijs, je ogen te oud.
Tóén — 5t begint altijd met toen - tóén liep je met je kameraden langs de kramen en spullen, gulzig-zwijgend bij 5t lekkers waarvoor je geen centen had, of geeuw-hongrig voornemend om van dat 5ns zonder ophouden te eten als je man geworden was en vrijheid had — tóén snoepte je kauwend met voorzichtige tandjes tezamen van 5n brok nougat — toen was je bang voor de spulleman die als ’n baardige duvel op de grote trom sloeg - toen keek je afgunstig naar de jongens die schiéten mochten, naar kinderen die duiten hadden voor ’t wassebeeldenspel, naar de honderden geheimzinnigheden achter geheimzinnige ouwe tapijten, in geheimzinnig halfduister en je draaide je laaste cent óm in je zak, de gore warme rooie cent, die je nou nóg voelt als je aan je jongensverlangens terugdenkt - de cent — de éne cent - de cent die je het draaien in de molen, óf twee polkabrokken gaf óf ’n schijfje kokosnoot óf 5n tik op de kop van Jut...
Tóén slenterde je dromend, verlangend, vurig verlangend. Elke tent was 5n heerlijkheid - élk opschrift - élke schildering van 5n kalf met vier koppen of van 5n dikke dame of van 5n reus of van ’n vrouw met ’n baard. Maar al die dingen kostten dubbeltjes, héle dubbeltjes, ’t Ging niet. Zachtekens schuifelde je met de menigte mee — dromend
166