Kermis
In je jeugd was ’n kermis 5n zo groot, ’n zo sterk, 5n zo machtig wonderding, ’n zo vreemde beangstigende vreugde, ’n reeks van zulke verscheidene, verrassende, droefgeestige en weer fantasie-verdonderende sensaties, dat je later, op 5n dag van wat de mensen rijper leven noemen, nauwlijks je vroegere geneugten onder woorden kunt néé, laat ons zeggen durft brengen.
Want, op dié dag, schijnbaar plotseling wakker om je henen kijkend, zie je grijze haren aan de slapen van de vriend met wie je ergens geknikkerd hebt - op ’n stoep - en die je als meisje gekend hebt lijkt al zo oud - hoe zal 5k ’t simpel uitdrukken - zo veranderd, vervormd, zo opgestaan als na een lange, afmattende ziekte - en zelf, met je buikje, langzaam verslappend doen, je goedige regelmaat, je tukjes en bezadigd overwegen, je peinzen over wat een heus eigen grafje mét een hekje en wat blommetjes kósten kan — de dingen zijn niet te geef doch noodzaaklijk — zelf bedaarlijk stappend de weg afwaarts, met glimmende bottines, en de troeble plassen vermijdend — zelf al niet meer in staat tot ’n diepe kniebuiging of tot ’n lustig haasje-over — voel je 51 rare, 5t onhandelbare, ’t onwrikbare, *t hese, 5t heftige, 5t dofge-latene, van het mómént.
Ik bedoel, dat bij het onverwacht weerzien van dingen, die in je jeugd heerlijk én volweeldrig én onverwoestbaar geboeid hebben, dingen die je grepen, heen en weer rukten, deden gloeien en hijgen, dingen die nu vaalbleek en plat zijn — het üür even wil stilstaan, schaduwen over de daken kruipen, mensgelaten als in schemer grauwen, heel het stratenbeweeg schijnbaar terugdeinst, als in de verschrikking van aangrommend onweer.
Zo pleegt de wijde afgrond tussen jeugd, jéügd en wat later komt, zich bij buitjes aan te dringen.
Zó — voel je de leegte, 5t weg-ge, 5t voor altijd verschim-
165