zijn.
‘Half vijf!’ riep ze uit het keukentje.
In de andere kamer sprong de poes op de grond.
Zij, druk wrijvend, praatte hardop: ‘...Nou mot je weer is beweren dat je geen suiker genog krijgt... Meer as ’n lepel zit an de bodem... Waar blijf je nou met je kouwe drukte?... Wat?...’
Hij hield z’n mond. Jawel - dat kénde ze - één van z’n manieren om je bloed an ’t koken te brengen.
‘...As je maar weet, dat ’r weinig meer mot gebeuren of Jan doét wat-ie van morrege zei. - Wil je nou is met je eigen ogen zien dat je nog wel twéé koppies op zo’n sui-kerbodem kan bijschenken...?’
Nijdig-blij dat ze ’m nou is met bewijzen op z’n voorman kon zetten, liep ze op het raam toe, bleef halfwege steken om de rare géne die in de zonnige kamer scheen gekomen.
‘Vader!5
Hij bewoog niet.
‘Nou mot je zellef is...5
De adem knapte in haar keel - het besuikerde kopje trilde. Toen, zonder één stap verder te doen, bleef ze sprakeloos, niet meer roepend, enkel angstig starend naar 5t lijkwit hoofd en de paars-grauwe handen. -
164