De pot hield ze vlak bij de kop.
Maar opnieuw bevend van geïrriteerdheid, onnozel-drif-tig, bijna stikkend in de woorden, sloeg hij naar de suiker-pot.
‘...Weg!... Dan had je me straks motten geloven!... Nou blief ik niet! En hoe eer je uitgaat hoe beter!’
‘O man, man!’ schreeuwde ze verwoed: ‘ik zal God danken as je...’
De toegesmeten kamerdeur dreunde de woorden weg.
Z’n kaken bewogen in steunende benauwdheid. De armen had-ie gestrekt over de stoelleuningen, ’t hoofd keek de straat in, waar ’n wagen over de keien reutelde.
Grimmig teruggeleund in de stoel, beluisterde hij ’t dom-pen der stappen op de trap.
Nou zat-ie alleen in 5t hete, broeiende kamertje. De zon beschaterde de gordijntjes, dreef scherpe lichtwiggen over het kleedje van zwarte, rode gele kleurtjes, dat onder de tafel lei.
Op de kozijnen der opgeschoven ramen, druk tippend tussen de bloempotten, krakeelden en schreeuwden dievende mussen.
Het wekkertje op de schoorsteen, schel van blikglans, tikte onrustig-snel, de poes duttig geschurkt in ’n zongeul knorde met zachte, tevreden kreuntjes.
De straat lag verlaten. Overal waren de gordijnen neer, alsof de huizen dooien hadden. De keien leken bekalkt, wittig in mekaar vervloeiend, de stoepranden verwaasden in de brandende zonpiassen.
Opgehitst, benauwd, knoopte hij de das rond z’n nek los, ademde zwaar.
Zacht riep-ie de poes.
En met ’t dier op z’n verlamde benen, ’t hoofd moe achterover, begon-ie nog ’ns zeurig te overdenken van ’t kommetje koffie — van de kinderen - van gister de herrie over je-weet-wel-van-van - tot-ie gejaagder naar adem hapte. Hij stikte haast.
162