‘...En - en - 5k drink ze zo niet... ’k Ben koffie met suiker gewoon... én én nou drink 5k ze helemaal niet...’
Z5n bevende benige hand duwde 5t kopje verder — de koffie spoot over de rand, over het bakje, langs de vensterbank.
‘Je zou...’ dreigde de dochter.
Maar de zoon, óp van de eeuwige ruzies om niks, snee haar dreigement af.
Wéér dreunde z’n vuist op de tafel, weer grolde z’n stem tussen de matte behangselwandjes.
‘...Lus je 5t niet - dan la je 5t maar. D5r komt 5n end an ons geduld. En as dat zo doorgaat, dan bestejen we je! Heb je verstaan...?’
‘Enne toch is 3r geen suiker genog in, nog geen halléf lepeltje,5 zei de vader zonderling hardnekkig, maar ver-aarzelend in z5n drift: cen tóch laat 5k 5t staan...5 ‘Dan maar,5 zei de dochter bot-af.
En in de gloeiende broeiing van 5t kamertj e-op-5 t-zuiden, dat als een gesloten oventje de brandende hette der luchtloze straat inzoog, hitste, 5t ruzie-gezwijg der drie mensen. De zoon en de dochter aten.
De ouwe man keek naar de horren, omplast door het zonlicht dat langs de witte gordijntjes in stadige hijging droop.
Het was langzaam drie-hoog 5n hel geworden, nou vader sinds zes jaar niet meer lopen kon.
Eerst hadden ze hem opgepast, verzorgd, vertroeteld voor zover ze 5t financieel konden, had zij 5r naaihuis 5r an gegeven om 5m niet alleen te laten - vroeger verdienden ze alle drie - hadden ze gedulig verdragen z5n buien van kindse prikkelbaarheid.
Maar je went an alles, an ziekte, ellende én lamme benen. As-ie zat, vergat je op den duur dat-ie stakkerig, hulpeloos was, zag je 5m gezond drinken, gezond eten, gezond bewegen.
En omdat-ie nooit over pijnen klaagde, z5n pijpje rookte, 160