over de ouwe Bas en over wat-ie nog ’s middags an tafel gezeid en hoe die gezeten had, mee-psalmend met de anderen in de avond. Het wekker-klokje stond bij enen. Dood-op, lam van vermoeidheid na ’n werkdag die om vier uur begonnen was, kropen ze een voor een in d’r kooi terug, de rug naar de dode gekeerd. Gijs stapte over de schipper in ’t stro — Dirk klom omhoog om ’t de stuurman te zeggen — Pieter, die geen woord meer gepraat had, enkel bleek-angstig geluisterd naar ’t fluisteren der mannen, kroop in de kooi van de stuurman. Onder de dooie liggen - goede God, néé...
Zachtjes zeilde de bom op de kust toe. Het wisselend licht van Scheveningen spatte in de verte - het rustig wit licht van ’t eigen dorp staarde goedig en stil. De wind was bijna gaan liggen. Nauwlijks bleven de zeilen gespannen en haast geen schuim stoof voor de boeg.
Over het glad vlakkend water schimde het maanlicht, dan 5ns blauw-ijlig van glans wen ’n wolkje voorbijschoof, dan lief-zilviig in ’n nimbus van schijnbaar stijgende damp. Naar de kust vaagde een lichtgeul, heel kalmpjes, met zil-verschubben en stalen vloeiingen. Soms, als ’r geen wolkjes waren en de maansikkel ongestoord kaatsen kon, dobberde een tweede maantje in de golven, lichtjes wieglend, alsof er een tweede hemel was, een hemel boven, een hemel benee. En de bom, log en zwart, dreef dan tussen die twee, gedragen op het zoet gekabbel dat vrindelijk klotste, ook wel gans onhoorbaar geleek.
Dra sliepen de schipper en de matroos weer in. Het was een droevig geval van de zes en zeventig-jarige visser die in z’n kooi gestorven was, blij met ’t beetje verdienste van ’n vérsvangst-besomming, maar mensen die afgebeuld zijn, tobben niet lang over dingen-van-zee - die slapen.
Pieter, jongske van twaalf, sliep niet. Vlak over z’n kooi nou, had je de kooi waar Bas lei, Bas die vanmiddag z’n
133