‘Bas !’ schreeuwde de schipper nu harder, 5t Bleef stil in de kooi. Je zag alleen de flauwing van ’n jekker, het witte ge-pluis van het haar en Jn plomping waar de heup moest zijn.
Gijs, die naast de schipper sliep, ook wakker geworden — as de schipper zijn bek openzette was ’t raak - gromde z’n baardige kop uit ’t stro. En gezamenlijk kéken de schipper, de matroos en de jongen. Er móést iets mis zijn.
Over 5t dek klonken stappen. Dirk, die met de stuurman de wacht had, klompte naar ’t luik en een ogenblik slokte z’n potig lichaam ’t licht van de maan.
‘Roep jij Bas is,5 zei aarzelend de schipper en terwijl de stevige matrozenhand in ’t donker van het kooigat bewoog, sprak niemand ’n woord.
‘...Wel verduiveld,’ schrikte de matroos, óók terugwijkend. Toen begon de jongen angstig te huilen énkel om 5t tasten der hand in de stilte.
‘Bas dan!’ schreeuwde nog eens schril-hard de schipper, schichtig voor ’t eigen geluid dat ’t bedompte, kleine logies door-echode en rauwlings terugsloeg.
Dirk, bij de hanglamp, nam ’t schroefje tussen z’n grove arbeids-vingers, wrikte stevig. De pit pafte wat knettren-de vonkjes, maar 5t licht roodde zo doezlig als straks, aarzelde over de voorwerpen, snikte weg in het dompe ge-schaduw van kooien en zoldring.
‘Je zou haast denke ’n beroerte gehad,5 zei Dirk stug. Z5n lippen bemumden de pruim, z’n ogen gingen van de lamp naar de donkere kooi met 5r vage kontoer, van man die wel slapen kan.
Nors van schouderbeweeg was de schipper opgestaan. Z’n zwaarbeschoende voeten pletten de sintels die leien bij 5t fornuis; 5t knerste vinnig onder zijn zolen. En nou dapper van uiterlijk doen, inwendig vol schuwe, timiede bevink-jes, boog-ie zich over de kooirand, vatte de hand van de ouwe, liet 5r griezelig los en nog ’ns werom kerend, streek-ie ’n lucifer af boven Bas’ grijsaardskop. Gijs, Pieter, Dirk
I3i