vooruit. Moeder keek timiede-lacherig van Leon’s vuile vingers met de vuile gele lapjes naar Flip, die te staren stond, alsof-ie zeggen wou: ‘wat-zeg-je me daarvan?’ -’t van pure ontzetting niet kón.
Mijntje, spraakloos — zó iets lei je tong in verlamming -sloeg 9r vette handen met lillende smakj es en nóg eens en nóg eens, schudde 9r bleek sproetenhoofdje, sloeg opnieuw. Klonken aldus drie geluiden in het kamertje: het wekkerklokje, Mijntjes klappende handen en het gegrunnek der twee bankbiljetten in Leon’s eeltige vingers.
Tegelijk kregen ze d’r spraak weerom, tegelijk schreeuwden, gilden ze d’r verrassing en vreugde.
‘Is dat voor óns?’ riep vader, z’n hoofd bewegend in ver-bazings-gewiebel.
‘Hij méént ’t! Hij méént 5t!’ overschreeuwde hem moeder, halfweg rijzend, om beter de papieren te zien.
‘Ach, hij houdt je voor de mal!’ zang-zong Mijntje: ‘as die écht zijn!...9
‘Nee, ze zalle niét echt zijn!’ schreeuwde Flip. Goedig-glimlachend, ja-knikkend of nee-knikkend zonder te praten leunde Leon in z’n stoel.
9n Vol jaar was-ie van huis geweest, had negotie gedreven in 9t buitenland, van alles en nog wat, was voor 9n paar dagen thuis gekomen met 9n voddig cadeautje voor moeder, 9n prullege tabakspijp voor vader, onnozele hebbedingetjes voor Mijntje en Flip.
Daar waren ze béstig tevreden mee geweest.
De surprise had-ie bewaard, 9t spaarduitje, de bon waarvoor die ze in d’r bullen wou steken, voor-ie weer as marskramer de wegen opging.
En nou in volkomen verbluffing keken de tobbers, die dag aan dag van d’r beetje negotie leefden, die in de Joden-breestraat met scharren, komkommers, citroenen, met wat 9t seizoen bracht, d’r kost moesten scharrelen, zomer en winter, soms honger, soms ’n lekker stukkie koppevlees voor Sjabbes - naar het kapitaal, het wonder, de reu
118