Reuzensom
‘Hè-Hè!’ lachte Leon hard-schreeuwrig.
Z’n grote gele tanden glansden vettig in ’t lampelicht, z’n ogen zwommen van pretsprankels.
‘Nou wil die ’n gijntje uithale - met óns - versta je niet?5,
stil-knikkelde vader: ‘mijn krijg je d’r niet in...5
‘En mijn nog minder/ lachte moeder: ‘ja, wij zalle 5n
lijsie opmake! Nog in geen tién jare...5
‘5n Lijsie - 5n lijsie,5 beweerde Mijntje, zangerig-spot-
tend: ‘as 5k 5n lijsie mot opmake ben 5k nog in geen dag
klaar...5
‘Hè-hè!5 schreeuwde Leon weer — en z5n dikke handen beklapten z5n knieën dat 5t klonk: ‘hèhè — en as 5k nou boter bij de vis geef...5
‘Boter bij de vis,5 herhaalde vader, lichtschuw verwonderd. Z5n pijp hield-ie aarzelend in de bevende hand, bukkend tegelijk, om Leon van ónder de lamp te zien.
‘Boter bij de vis,5 zei Flip.
eBoter bij de vis? Jij zal boter bij de...5 zei moeder ongelovig, niet eindigend.
5t Kón niet. De jongen wou ze d’r in laten lopen.
‘Hij zal margarine bedoele!’ gilde Mijntje over het tafe-blad.
Maar ineens waren ze allemaal paf-van-geslagenheid vader, moeder, Mijntje, Flip.
Leon had z’n hand in z’n borstzak gestoken. Vlak onder de lamp, vlak onder de natte papieren rozet met 5r stank van petrolie en gespikkeld van dooie vlieggen, hield-ie 5n versleten leren portefeuille en uit 5n stukkend vakje frommelde - die twee bankjes van vijf-en-twintig, twee smerige gele, verlepte bankjes, twee echte, solide papieren van-de-bank.
In z5n vingers frunnekte het als wondermuziek. Hele ogenblikken dee niemand 5n mond open. Vader zat als in verstening, de pijp vooruit, het hoofd vooruit, de onderlip
117