‘Ja papa,5 zei ze schuw.
‘Ja papa, ja papa,’ herhaalde hij knorrig - als-ie niet op tijd at en dronk, werd-ie van 5n vervelende prikkelbaarheid - ’t was ’r nou anderhalf uur over —: ‘wij hebben je niet verplicht..?
‘Nou,’ suste moeder, bang voor ’n huilpartij: ‘zet de bloemen óók op tafel, Coba...’
Stilletjes schoof ze de kamer uit, naar de studeerkamer, in ’t achterhuis. De gordijnen hingen zwaar voor de ramen, dompelend het vertrek in een kille schemer. Alles leek triestig, zwaarmoedig. De boekenplanken rekten log-drei-gend, de papierentafel stond lusteloos-grommend.
Alleen het bureau met z’n bloemen, z’n rozen en bosviooltjes fleurde op in ’t geschemer.
Bij de vensterbank hurkte ze op ’n taboeret, keek naar twee pakjes tussen de bloemen, een hoog pakje, een plat. Moeder schrikte haar op.
‘Ga je hier zitte, Coba?...’
‘Eventjes maar, mama...’
‘Heb jij die bloemen?...’
‘Ja mama.’
Glimlachend nam de ouwe dame de pakjes op, opende ze. In het ene was een doosje met visitekaartjes Edi Bing, Arts3 in het ander een koperen naambordje met sierlijke letters Edi Bing, Arts.
Bijna liefkozend pakte de ouwe vrouw de dingen weer in. ‘Hè, als-ie ’r nou maar dóór is, zei ze zuchtend.
‘Als’ - herhaalde Coba en ineens zakte ze in klein kinderachtig gehuil.
‘Als,’ zei moeder met verwonderings-stem.
‘Hij was zo stil vanmorgen,’ snikte Coba, blij effen te kunnen huilen, nou schoonpa ’r niet bij was.
‘Hij was niét stil,’ viel de ouwe vrouw uit en plots kribbig van beweren, want óók haar zat ’t dwars: ‘hoor is, Co, je mot niet zo mal doen. Jullie hebben ’t gewild. Wij wouen niet. Neen, wij wouen niet.’ En zelf benauwd van
112