bleekten er tegen.
De avondwind begon de houtkrullen kirlend te jagen.
Dirk dee: ‘Sisch! Susch! Sisch! Susch!’
Mien riep nog wel ’ns door de spreekbuis ‘Trrrrrr! Trrrrrr!
Volle kracht, vooruit!’
Maar de gezichtjes waren bleek. De angst voor nachtver-schrikkingen na ’t onverwacht loeien der koe was er in.
Toen, na nóg ’n poosje, liet Mien anleggen, stapten ze uit de boot en aarzlend, schuw van doen, schoon Mien dee of ze van niks bang was, liepen ze de steenhopen langs, de straat in aanbouw voorbij, schrikten nog even door ’n voor-bijreutiende trein, gingen handje in handje de Linnaeus-straat in, waar mensen liepen en lantaarns brandden...
105