Verbeeldingsleven
Achter de Linnaeusstraat werd een zijstraat bijgebouwd. Het was late Zondag-namiddag, op scheemring af.
De grote doorwoelde kalkbakken schimden bleek tegen de massieve steen-rompingen.
Er liep ’n man op 5n neuswarmer te kluiven, de stok in z’n rugwaartse handen.
Verderop, de knooklige botten diep gepuild in 5t bultig moerasland, leien koeien en raaklings daarachter kromde de spoorbaan met railglimmingen en seinpalen.
De huizen in aanbouw stonden lomp in 5t weiflend ge-schemer van de avond, huizen met morsige stellages, gekeerde ladders, gapende raamgaten. Als plompe neergedreunde knuppels grimden de stellingbinten, dreigend doorstekend het schemerviolet, dat teertjes naar 5t onbesmeurd groen achter de spoorbaan glee.
Waar de kalkbakken schimden, houtkrullen de zandgrond overwolden, lompe wallen gebakken tegels waren neergekwakt, klonk het fris geraas van kinderstemmen.
Als spattende lichtsprenkels ketste het.
Ze zaten met 5r zessen: vier meisjes, twee jongens. Ze zaten in 5n ovaal van zand, de voetjes gedoken, de knietjes gelijk met de rommel rondom.
Zes zitbankjes hadden ze in de smurrie gegraven, zes bakjes in 5n gerekt zandovaal.
Zo speelden ze stoomboot.
Dirkje was machinist. Met z’n stevige handjes bewoog-ie snelwrikkend Jn stok, siste tussen de tanden. Dat was de schroef én de ontsnappende stoom, óók het stuur.
Bij Mientje, in de middelste bank, stak 5n tak met 9n lapje. Dat was de mast.
En vóór, op de punt, achter Truusje’s rug, priemde ’n houtspaander met ’n papieren vlag. Maar ze mocht 5r niet aankommen, want Mientje en Dirk hadden de kuil gegraven — die waren kaptein en stuurman, de anderen
ioo